ECLI:NL:HR:2016:397

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 maart 2016
Publicatiedatum
11 maart 2016
Zaaknummer
15/00237
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing cassatie in wanprestatie koopovereenkomst woning

In deze zaak stond een geschil centraal over wanprestatie bij een koopovereenkomst met betrekking tot een woning. Eiser had zowel een contractuele boete als schadevergoeding gevorderd. De lagere instanties, waaronder de kantonrechter en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, hadden reeds uitspraak gedaan over de vorderingen.

Eiser stelde cassatie in tegen de arresten van het gerechtshof, waarbij hij onder meer klaagde over een onbegrijpelijke uitleg van de gedingstukken en het oordeel dat naast de contractuele boete ook schadevergoeding was gevorderd. De Advocaat-Generaal adviseerde tot verwerping van het cassatieberoep.

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten van eiser geen aanleiding geven tot cassatie en dat het niet nodig is om rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling te beantwoorden. Het beroep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie, die nihil zijn begroot aan de zijde van verweerders.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het gerechtshof wordt bevestigd.

Uitspraak

11 maart 2016
Eerste Kamer
15/00237
EE/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser] ,
wonende te [woonplaats] ,
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. R.P.J.L. Tjittes,
t e g e n
1. [verweerder 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2. [verweerster 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERWEERDERS in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en [verweerders]

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. de vonnissen in de zaken 518495 CV 10-13394 en 548550 CV 11-4951 van de kantonrechter te Zwolle-Lelystad van 2 maart 2011, 13 april 2011, 8 juni 2011 en 27 juli 2011;
b. de arresten in de zaak 200.099.571/01 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 december 2013 en 7 oktober 2014.
De arresten van het hof zijn aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de arresten van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Tegen [verweerders] is verstek verleend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal M.H. Wissink strekt tot verwerping.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 4 januari 2016 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerders] begroot op nihil.
Dit arrest is gewezen door de vice-president E.J. Numann als voorzitter en de raadsheren C.A. Streefkerk, A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders en G. de Groot, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
11 maart 2016.