Belanghebbende heeft in 2011 voor een auto uit een andere lidstaat namens een derde de kentekenaanvraag gedaan en de BPM-aangifte ingediend. De BPM is door de kentekenhouder betaald. Belanghebbende maakte bezwaar tegen de BPM-betaling, maar dit werd door de Inspecteur niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van een volmacht.
Het Hof stelde dat de kentekenhouder belastingplichtig is en dat belanghebbende zonder volmacht niet bevoegd was bezwaar te maken. De Hoge Raad herroept dit oordeel en stelt dat op grond van artikel 7, lid 1, Wet BPM 1992 de ander die de kentekenaanvraag doet namens de kentekenhouder handelt en dus zonder aparte volmacht bezwaar kan maken.
De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en wijst de zaak terug voor verdere behandeling. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de Staatssecretaris van Financiën in de proceskosten en vergoedingen. Dit arrest verduidelijkt de bevoegdheid tot bezwaar maken bij BPM-betalingen in situaties waarbij een ander dan de kentekenhouder de aangifte doet.