In deze zaak stond de ontvankelijkheid van een tweede hoger beroep centraal. Eiser was in eerste hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens het niet tijdig nemen van een memorie van grieven. Vervolgens stelde eiser binnen de appeltermijn een tweede hoger beroep in, dat het hof eveneens niet-ontvankelijk verklaarde met verwijzing naar het gesloten stelsel van rechtsmiddelen.
De Hoge Raad oordeelde dat het tweede hoger beroep tijdig en op juiste wijze was ingesteld en zelfstandige betekenis heeft. Het hof had ten onrechte geoordeeld dat het tweede hoger beroep niet ontvankelijk was omdat dit in strijd zou zijn met goede procesorde of eerdere beslissingen. De Hoge Raad stelde vast dat geen van deze uitzonderingen van toepassing was.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest van het hof Amsterdam en verwees de zaak terug voor verdere behandeling. Tevens werden de kosten van het cassatiegeding aan verweerders opgelegd. Het arrest werd gewezen door de vice-president en vijf raadsheren en in het openbaar uitgesproken.