Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
29 maart 2016.
Hoge Raad
Op 28 mei 2011 leidde verdachte als voorman van de Nederlandse Volksunie een demonstratie in Enschede waarbij enkele deelnemers racistische leuzen riepen. Het hof verklaarde bewezen dat verdachte medepleger was van groepsbelediging en aanzetten tot discriminatie, omdat hij de demonstratie had aangevraagd, de groep leidde en niet distantieerde van de uitlatingen.
De bewijsvoering bestond uit verklaringen van getuigen, aangiftes, camerabeelden en proces-verbalen waarin werd vastgesteld dat verdachte met een megafoon de demonstranten toesprak en de racistische leuzen niet weerlegde. Het hof oordeelde dat er sprake was van nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachten.
De Hoge Raad bevestigde in dit arrest dat voor medeplegen een bijdrage van voldoende gewicht vereist is en dat die in deze zaak aanwezig was. Het cassatieberoep faalde omdat het hof de bewijsmiddelen en motivering zorgvuldig had gewogen en het oordeel niet onbegrijpelijk was.
De Hoge Raad wees ook op eerdere jurisprudentie over de afbakening tussen medeplegen en medeplichtigheid, en benadrukte dat medeplegen een nauwe en bewuste samenwerking veronderstelt. Het arrest werd op 29 maart 2016 uitgesproken door de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: Hoge Raad bevestigt medeplegen en verwerpt cassatieberoep tegen veroordeling voor groepsbelediging en aanzetten tot discriminatie.