Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2016:544

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 april 2016
Publicatiedatum
1 april 2016
Zaaknummer
15/05679
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 285 lid 1 onder f FwArt. 288 lid 1 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken verklaring en onvoldoende belang

In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van verzoeker behandeld tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Verzoeker had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak in een WSNP-procedure, waarbij het toelatingsverzoek niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege het ontbreken van een verklaring zoals vereist in artikel 285 lid 1 onder Pro f van de Faillissementswet en schulden die niet te goeder trouw zijn volgens artikel 288 lid 1 Fw Pro.

De Hoge Raad verwijst voor het geding in feitelijke instanties naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en het arrest van het gerechtshof. De Procureur-Generaal heeft geadviseerd het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a lid 1 RO.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van verzoeker geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat verzoeker onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard en wordt de uitspraak van het gerechtshof bekrachtigd.

Het arrest is gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Streefkerk en Snijders en in het openbaar uitgesproken door raadsheer De Groot op 1 april 2016.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een vereiste verklaring en onvoldoende belang.

Uitspraak

1 april 2016
Eerste Kamer
15/05679
LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/02/303291/FT RK 15-1191 van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 13 oktober 2015;
b. het arrest in de zaak 200.179.244/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 1 december 2015.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van het cassatieberoep op de voet van art. 80a RO.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 2 en 3).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.A. Streefkerk en G. Snijders, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
1 april 2016.