Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
1 april 2016.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak heeft de Hoge Raad het cassatieberoep van verzoeker behandeld tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch. Verzoeker had beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak in een WSNP-procedure, waarbij het toelatingsverzoek niet-ontvankelijk werd verklaard vanwege het ontbreken van een verklaring zoals vereist in artikel 285 lid 1 onder Pro f van de Faillissementswet en schulden die niet te goeder trouw zijn volgens artikel 288 lid 1 Fw Pro.
De Hoge Raad verwijst voor het geding in feitelijke instanties naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant en het arrest van het gerechtshof. De Procureur-Generaal heeft geadviseerd het cassatieberoep niet-ontvankelijk te verklaren op grond van artikel 80a lid 1 RO.
De Hoge Raad oordeelt dat de klachten van verzoeker geen behandeling in cassatie rechtvaardigen, omdat verzoeker onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel de klachten niet tot cassatie kunnen leiden. Daarom wordt het beroep niet-ontvankelijk verklaard en wordt de uitspraak van het gerechtshof bekrachtigd.
Het arrest is gewezen door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Streefkerk en Snijders en in het openbaar uitgesproken door raadsheer De Groot op 1 april 2016.
Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van een vereiste verklaring en onvoldoende belang.