Uitspraak
1.Feiten en procesverloop
2.Beoordeling van het verzet
De Hoge Raad zal dan ook beslissen als hierna vermeld.
3.Beslissing
8 april 2016.
Hoge Raad
In deze zaak hebben uitgeprocedeerde asielzoekers zonder inkomen of vermogen verzet aangetekend tegen de heffing van het griffierecht van €322,- voor het instellen van cassatie bij de Hoge Raad. De opposanten stelden dat deze heffing hun recht op toegang tot de rechter, zoals beschermd door artikel 6 EVRM Pro, in ernstige mate belemmert.
De Hoge Raad bevestigde dat de opposanten geen inkomen of vermogen hebben en dat de wetgever griffierechten heeft vastgesteld die ook voor onvermogenden gelden, met als doel een afweging te stimuleren tussen de kosten en het belang van de zaak. Dit is op zichzelf een legitieme grondslag, ook binnen het kader van artikel 6 EVRM Pro.
Echter, gelet op het volledige ontbreken van financiële draagkracht bij de opposanten, oordeelde de Hoge Raad dat de heffing van het griffierecht in dit specifieke geval neerkomt op een ontoelaatbare belemmering van het recht op toegang tot de rechter. Daarom verklaarde de Hoge Raad het verzet gegrond en stelde het verschuldigde griffierecht op nihil.
Deze uitspraak benadrukt het belang van een zorgvuldige afweging tussen de hoogte van griffierechten en de draagkracht van de rechtzoekende, met inachtneming van het fundamentele recht op toegang tot de rechter.
Uitkomst: Het verzet tegen het griffierecht wordt gegrond verklaard en het verschuldigde griffierecht wordt op nihil gesteld.