Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaring en beslissing op een gevoerd verweer
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
12 april 2016.
Hoge Raad
De verdachte werd veroordeeld wegens verblijf in Nederland terwijl tegen hem een inreisverbod was uitgevaardigd op grond van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Hij verbleef op verschillende data in Amsterdam ondanks het verbod. In hoger beroep voerde hij aan dat het inreisverbod in strijd was met het Europees Unierecht, met name artikel 11 lid 2 van Pro de Terugkeerrichtlijn 2008/115/EG.
De rechtbank en het hof verwierpen dit verweer. Het hof benadrukte dat de bestuursrechter reeds onherroepelijk had geoordeeld dat het inreisverbod rechtmatig was en dat de strafrechter daarom niet zelfstandig het EU-rechtverweer hoeft te toetsen, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn. De Hoge Raad bevestigde deze taakverdeling en oordeelde dat het hof het verweer terecht had verworpen omdat de feiten onvoldoende waren om het inreisverbod evident strijdig met Unierecht te achten.
De Hoge Raad wees ook op het belang van een zorgvuldige motivering bij het opleggen van een langdurig inreisverbod, met inachtneming van factoren zoals aard en zwaarte van eerdere veroordelingen en het tijdsverloop. De verdachte had twee relatief lichte Opiumwetveroordelingen uit 2003, maar sindsdien geen nieuwe strafbare feiten gepleegd. Desondanks was het inreisverbod onherroepelijk gebleven.
Het cassatieberoep werd verworpen en de zaak werd terugverwezen naar het hof voor hernieuwde behandeling, waarbij de strafoplegging en veroordeling voor verblijf na inreisverbod gehandhaafd blijven. Dit arrest bevestigt de scheiding van bevoegdheden tussen bestuurs- en strafrechter bij de toetsing van inreisverboden en het belang van een zorgvuldige belangenafweging bij zware inreisbeperkingen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor verblijf na onherroepelijk inreisverbod en verwerpt het EU-verweer.