ECLI:NL:HR:2010:BL2854
Hoge Raad
- Cassatie
- A.J.A. van Dorst
- B.C. de Savornin Lohman
- J.W. Ilsink
- J. de Hullu
- C.H.W.M. Sterk
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt ontvankelijkheid OM bij vervolging ongewenst verklaarde vreemdeling ondanks Europees rechtelijke bezwaren
In deze zaak stond de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie centraal bij de vervolging van een verdachte die werd beschuldigd van het verblijven in Nederland terwijl hij wist dat hij op grond van een wettelijk voorschrift tot ongewenst vreemdeling was verklaard (art. 197 Sr Pro).
De verdediging voerde aan dat de beschikking tot ongewenstverklaring van 18 oktober 1996 in strijd was met rechtstreeks werkende bepalingen van het Europese gemeenschapsrecht, met name Richtlijn 64/221/EEG en Richtlijn 2004/38/EG. Volgens de verdediging mocht de strafrechtelijke vervolging niet plaatsvinden omdat de beschikking niet voldeed aan de vereisten van deze richtlijnen en de verdachte geen bestuursrechtelijke rechtsgang had gevolgd.
De Hoge Raad bevestigde dat de rechter in een strafzaak moet toetsen of de ongewenstverklaring in strijd is met rechtstreeks werkende bepalingen van het Europees recht en gemotiveerd op dit verweer moet beslissen. Echter, het hof had geoordeeld dat de beschikking niet evident in strijd was met het Europees recht en dat de verdachte gelet op zijn strafblad een gevaar vormde voor de openbare orde, zodat de ongewenstverklaring terecht was.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en verklaarde het Openbaar Ministerie ontvankelijk. De strafrechtelijke vervolging van de verdachte wegens overtreding van art. 197 Sr Pro kon derhalve voortgezet worden, ondanks het feit dat de verdachte geen gebruik had gemaakt van de bestuursrechtelijke rechtsgang.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het Openbaar Ministerie ontvankelijk en verwerpt het cassatieberoep tegen de vervolging wegens overtreding van artikel 197 Sr.