Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tot herziening van het arrest van de
Hoge Raad der Nederlandenvan 10 juli 2015, nr. 15/00619, ECLI:NL:HR:2015:1859.
Hoge Raad
Belanghebbende heeft een verzoek tot herziening ingediend tegen een arrest van 10 juli 2015. De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en een betalingstermijn van vier weken gesteld.
Het griffierecht is niet voldaan en belanghebbende heeft niet kenbaar gemaakt te voldoen aan het criterium voor betalingsonmacht zoals vereist. De Hoge Raad heeft belanghebbende vervolgens in de gelegenheid gesteld om redenen voor de termijnoverschrijding mee te delen, maar de aangevoerde redenen waren onvoldoende om het verzuim te rechtvaardigen.
Op grond van artikel 8:41, lid 6, tweede volzin, in verbinding met artikel 8:119, lid 2, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk verklaard. De Hoge Raad acht geen gronden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet betaling van het griffierecht en het ontbreken van een geldige reden voor termijnoverschrijding.