Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
19 april 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin hij werd bewezenverklaard dat hij in de periode van 26 november tot 12 december 2013 te Schiphol en Curaçao trachtte anderen te bewegen behulpzaam te zijn bij het opzettelijk vervoeren van cocaïne.
De bewezenverklaring steunt op verklaringen van de verdachte zelf, getuigenverklaringen en WhatsApp-berichten die tijdens zijn aanhouding werden aangetroffen. De verdachte had een plan om cocaïne te rippen en te verkopen en had contact met derden om dit plan uit te voeren. Tijdens de vlucht van Curaçao naar Nederland gaf hij instructies aan de koeriers.
De verdediging voerde aan dat de bewezenverklaring onjuist was omdat met “een of meer anderen” alleen de koeriers bedoeld zouden zijn. De Hoge Raad oordeelde dat deze lezing onjuist is en dat ook derden bedoeld zijn die voorafgaand aan de vlucht berichten ontvingen over het plan.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde dat het hof terecht het opzet van de verdachte aannam om het vervoeren van cocaïne mogelijk te maken door voorbereidingshandelingen te verrichten en anderen te bewegen daarbij behulpzaam te zijn.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd dat verdachte trachtte anderen te bewegen behulpzaam te zijn bij het opzettelijk vervoeren van cocaïne.