Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.Beslissing
19 april 2016.
Hoge Raad
Betrokkene heeft beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Echter heeft betrokkene geen middelen van cassatie binnen de wettelijke termijn door een raadsman ingediend bij de Hoge Raad.
De Advocaat-Generaal concludeerde daarom tot niet-ontvankelijkverklaring van betrokkene in het beroep. De Hoge Raad oordeelde dat het voorschrift van artikel 437 lid Pro 2, in verbinding met artikel 511h van het Wetboek van Strafvordering, niet was nageleefd.
Daarom kon betrokkene niet worden ontvangen in het beroep en werd het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest werd uitgesproken op 19 april 2016 door de Strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: Betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard in het cassatieberoep wegens het niet tijdig indienen van middelen.