ECLI:NL:HR:2016:698

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 april 2016
Publicatiedatum
21 april 2016
Zaaknummer
15/02134
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatieAlgemene wet inzake rijksbelastingen
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake boetebeschikking navorderingsaanslag vermogensbelasting

Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden betreffende een boetebeschikking in verband met een navorderingsaanslag vermogensbelasting over het jaar 2000.

Eerder was het geschil behandeld door het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, waarvan het arrest door de Hoge Raad werd vernietigd en de zaak verwezen naar het Hof Arnhem-Leeuwarden voor verdere behandeling.

In het tweede cassatiegeding heeft belanghebbende diverse klachten geuit, maar de Hoge Raad oordeelde dat deze klachten geen aanleiding geven tot cassatie, omdat zij geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.

De Hoge Raad wees het beroep in cassatie af en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 22 april 2016.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

22 april 2016
Nr. 15/02134
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwardenvan 31 maart 2015, nr. 13/01097, betreffende de aan belanghebbende ter zake van het jaar 2000 opgelegde boetebeschikking met betrekking tot de navorderingsaanslag vermogensbelasting.

1.Het eerste geding in cassatie

De uitspraak van het Gerechtshof ’s‑Hertogenbosch is op de beroepen van de Staatssecretaris en belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 2013, nr. 12/00346, ECLI:NL:HR:2013:844, BNB 2013/250, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij een aantal klachten aangevoerd.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.

3.Beoordeling van de klachten

De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2016.