Belanghebbende kreeg navorderingsaanslagen en boetes opgelegd over de jaren 1990-2000, waaronder een boete van 100% over de navorderingsaanslag vermogensbelasting 2000. Na eerdere vernietiging en vermindering door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en een arrest van de Hoge Raad werd de zaak terugverwezen naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden voor beoordeling van de boetebeschikking.
Het Hof stelde vast dat belanghebbende op 31 januari 1994 beschikte over een buitenlandse bankrekening met een aanzienlijk saldo dat niet was aangegeven in de aangifte vermogensbelasting 2000. Dit leidde tot het vermoeden van opzettelijk onjuist opgeven van vermogen. Belanghebbende ontkrachtte dit vermoeden niet. Het Hof achtte de boete van 100% passend vanwege het bewust buiten zicht houden van vermogen via een Luxemburgse rekening.
De boete werd echter verminderd tot 80% van de nagevorderde belasting wegens de wijze van vaststelling met omkering van de bewijslast en schatting, en vervolgens met 20% wegens overschrijding van de redelijke termijn. Prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie werden afgewezen. Het beroep van belanghebbende werd gegrond verklaard en de boete verminderd tot €760.