ECLI:NL:HR:2016:706

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 april 2016
Publicatiedatum
21 april 2016
Zaaknummer
15/04800
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a Wet op de rechterlijke organisatie
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijk verklaring cassatieberoep inzake navorderingsaanslagen inkomsten- en vermogensbelasting

De erfgenamen van X Z hebben cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 11 september 2015, waarin navorderingsaanslagen over meerdere jaren in de inkomstenbelasting en vermogensbelasting waren bevestigd.

De Hoge Raad heeft het cassatieberoep inhoudelijk beoordeeld op ontvankelijkheid en geoordeeld dat het middel onvoldoende grond biedt voor behandeling in cassatie. Dit kan zijn omdat de belanghebbende onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep of omdat het middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden.

Op grond van artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en na advies van de Procureur-Generaal heeft de Hoge Raad het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard. Hiermee blijft het arrest van het hof ongewijzigd in stand.

De uitspraak is gedaan door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in aanwezigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en is op 22 april 2016 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard en het arrest van het hof blijft in stand.

Uitspraak

22 april 2016
Nr. 15/04800
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
de erfgenamen van [X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof ’s-Hertogenboschvan 11 september 2015, nrs. 14/00730 tot en met 14/00735, betreffende de aan belanghebbende over de jaren 1997, 2001, 2003 en 2004 opgelegde navorderingsaanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, alsmede een over het jaar 1998 opgelegde navorderingsaanslag in de vermogensbelasting.

1.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie

De Hoge Raad is van oordeel dat het voorgestelde middel geen behandeling in cassatie rechtvaardigt omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat het middel klaarblijkelijk niet tot cassatie kan leiden.
De Hoge Raad zal daarom – gezien artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaren.

2.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet‑ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president R.J. Koopman als voorzitter, en de raadsheren C. Schaap en J. Wortel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier F. Treuren, en in het openbaar uitgesproken op 22 april 2016.