Uitspraak
beiden wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te Utrecht,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.De prejudiciële procedure
3.Beantwoording van de prejudiciële vragen
4.Beslissing
22 april 2016.
Hoge Raad
Deze prejudiciële beslissing van de Hoge Raad behandelt de vraag of huurders aanspraak hebben op een verhuiskostenvergoeding bij renovatiewerkzaamheden die tijdelijke verhuizing noodzakelijk maken, en hoe deze vergoeding zich verhoudt tot aanspraken bij dringende werkzaamheden.
De zaak betreft huurders die sinds 1990 een woning huren van Stichting Portaal en geconfronteerd werden met renovaties die een tijdelijke verhuizing noodzakelijk maakten. De huurders vorderden een bijdrage in verhuis- en inrichtingskosten op grond van art. 11g Besluit beheer sociale-huursector (oud). De kantonrechter wees de vordering af, maar het hof stelde vast dat de werkzaamheden zo ingrijpend waren dat verhuizing noodzakelijk was en stelde prejudiciële vragen aan de Hoge Raad.
De Hoge Raad verduidelijkt dat verhuiskostenvergoeding alleen verschuldigd is indien sprake is van renovatie in de zin van art. 7:220 lid 2 BW Pro, waarbij de renovatie zelf verhuizing noodzakelijk maakt, en niet bij louter dringende werkzaamheden. Tevens is het niet relevant of de renovatie op initiatief van de huurder of verhuurder plaatsvindt. De regeling van art. 11g Bbsh (oud) en art. 7:220 leden Pro 5-7 BW is van dwingendrechtelijke aard, zodat hier niet van kan worden afgeweken en huurders niet kunnen afzien van hun rechten door acceptatie van een redelijk renovatievoorstel.
De uitspraak bevestigt het beschermingsniveau van huurders bij renovaties die tijdelijke verhuizing vereisen en verduidelijkt de juridische kaders voor verhuiskostenvergoeding binnen de sociale huursector en daarbuiten.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat de verhuiskostenvergoeding bij renovatie dwingendrechtelijk is en alleen verschuldigd is indien renovatie verhuizing noodzakelijk maakt, ongeacht initiatief en samenloop met dringende werkzaamheden.