Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
19 april 2016.
Hoge Raad
De verdachte, geboren in 1949, stelde beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Den Haag uit 2014. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep beoordeeld en geoordeeld dat de middelen niet tot cassatie kunnen leiden.
De Hoge Raad constateerde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, was overschreden omdat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidde tot een ambtshalve vermindering van de opgelegde gevangenisstraf.
De Hoge Raad vernietigde de bestreden uitspraak uitsluitend wat betreft de duur van de gevangenisstraf en verminderde deze van zes jaren naar vijf jaren en elf maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan op 19 april 2016 door de strafkamer van de Hoge Raad.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt ambtshalve verminderd van zes jaar naar vijf jaar en elf maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.