Conclusie
eerste middelklaagt, als ik het goed begrijp, dat het hof aan de tenlastelegging ten onrechte een primair/subsidiair karakter heeft gegeven in plaats van deze als een cumulatieve of alternatieve variant aan te merken.
subsidiair, voor zover het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden’. Het hof is, geheel in lijn met het in dit verband geldende strafvorderlijke voorschrift, eerst nagegaan of op grond van het primaire gedeelte een veroordeling kan volgen en is tot een bevestigend antwoord gekomen. Dat betekent dat het hof niet meer kon, zelfs mocht toekomen aan het subsidiaire gedeelte. Meent de steller van het middel nu dat het hof zich niettemin (toch) had moeten uitlaten over het tweede, subsidiaire gedeelte van de tenlastelegging? Hoe dan ook, van een onjuiste rechtsopvatting bij het hof is geen sprake, noch van een onbegrijpelijk oordeel.
tweede middelwordt gepresenteerd, voldoet door zijn blote herhalingen van stellingen en verweren waarop het hof heeft beslist, en zijn algemene strekking, niet aan de eisen die aan een cassatiemiddel moeten worden gesteld. Er is geen sprake van een stellige en duidelijke klacht over de schending van een bepaalde rechtsregel en/of het verzuim van een toepasselijk vormvoorschrift door de rechter die de bestreden uitspraak heeft gewezen. Betoogd wordt a. dat er sterke aanwijzingen zijn dat de Britse autoriteiten een criminele burgerinfiltrant hebben ingezet, b. dat wanneer Britse ‘disclosure rules’ er aan in de weg staan dat bepaalde informatie wordt prijsgegeven ervoor gekozen kan worden het toetsingskader te volgen van de aangezochte Staat, te beoordelen door zijn eigen rechter, c. dat de Britse teamleider heeft geweigerd zijn verhoor af te maken op grond van de ‘line of questioning’, d. dat aan de eerlijkheid van het proces tegen de verdachte in ernstige mate afbreuk wordt gedaan door het achterwege blijven, en laten, van de informatie over het opsporingstraject aan Britse zijde en hetgeen daarover met de Nederlandse autoriteiten werd gedeeld, e. dat het verzoek tot toevoeging van het Engelse strafdossier aan de processtukken is afgewezen en f. dat dit (alles) uiteindelijk maakt dat van de waarheidsvinding bij het hof weinig terecht is gekomen. Voorts wordt gesteld dat het oordeel van het hof dat zich geen situatie voordoet van onthouding van relevante informatie door het openbaar ministerie onbegrijpelijk is, en dat de verwerping van het gevoerde niet-ontvankelijkheidsverweer niet (zonder meer) begrijpelijk is.
derde middelklaagt dat het recht op een eerlijk proces en het ondervragingsrecht als bedoeld in art. 6 EVRM Pro is geschonden doordat het verzoek van de verdediging om medeverdachte [medeverdachte 5] als getuige te (doen) horen ten onrechte is afgewezen, althans dat de afwijzing van dit verzoek op onbegrijpelijke of niet zonder meer begrijpelijke wijze is afgewezen.
): "Mijn cliënt wenst niet verhoord te worden via videoconferentie of middels een rogatoire commissie. ... Mijn cliënt zal geen woord verklaren, zolang hij in Peru is gedetineerd."Het hof heeft deze verklaring opgevat als een ondubbelzinnige weigering om als getuige te verklaren vanuit detentie in Peru.
vierde middel klaagt over ’s hofs afwijzing van het verzoek van de verdediging om [betrokkene 30] , [getuige 2] en [betrokkene 31] [3] als getuigen te (doen) horen.
NJ2014/441 m.nt. Borgers terecht geoordeeld dat de onderbouwing van het verzoek om hen te horen onvoldoende is, en bovendien niet noopt tot beantwoording van vragen in het kader van de onderhavige strafzaak tegen de verdachte.
vijfde middelricht zijn pijlen op de bewezenverklaring en klaagt dat het arrest innerlijk tegenstrijdig is, omdat, als ik het goed zie, bepaalde landen en buitenlandse plaatsen door het hof van belang zijn geacht voor de bewijsvoering, zulks terwijl deze landen en plaatsen niet in de bewezenverklaring voorkomen.
zesde middelkeert zich tegen ’s hofs strafoplegging en valt in een tweetal klachten uiteen (ik noem en bespreek alleen de klachten voor zover ze voor een beoordeling in cassatie in aanmerking komen). Welnu, de eerste klacht houdt in dat het hof ‘maar’ een korting van een jaar heeft toegepast vanwege overschrijding van de redelijke termijn; gelet op de totale lengte van de strafprocedure had dat meer moeten zijn. De tweede klacht luidt dat het hof bij eindarrest de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft opgeheven, schorsingsverzoeken heeft afgewezen en heeft volstaan met de aftrek van het voorarrest terwijl de verdachte van 10 november 2008 tot en met 30 maart 2009 beperkt was in zijn bewegingsvrijheid in verband met de schorsingsvoorwaarde dat hij Nederland niet mocht verlaten.