Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:HR:2016:854

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 mei 2016
Publicatiedatum
13 mei 2016
Zaaknummer
16/00559
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 350 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens onvoldoende belang bij tussentijdse beëindiging WSNP

In deze zaak betrof het een verzoek tot cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam inzake de tussentijdse beëindiging van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP). De verzoeker werd verweten de informatie- en sollicitatieplicht niet na te komen en nieuwe schulden te hebben laten ontstaan, wat aanleiding gaf tot beëindiging van de WSNP.

De Hoge Raad verwijst naar het vonnis van de rechtbank Amsterdam en het arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarin de beëindiging werd bevestigd. Het cassatieberoep werd ingesteld tegen dit arrest. De Procureur-Generaal adviseerde niet-ontvankelijkheid op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Rechtsvordering (RO).

De Hoge Raad oordeelde dat de klachten onvoldoende waren om behandeling in cassatie te rechtvaardigen, omdat de verzoeker geen voldoende belang had bij het beroep of de klachten niet tot cassatie konden leiden. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest werd uitgesproken door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Heisterkamp en Tanja-van den Broek.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang bij het beroep.

Uitspraak

13 mei 2016
Eerste Kamer
16/00559
EV/LZ
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoeker],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoeker zal hierna ook worden aangeduid als [verzoeker].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak met het insolventienummer C/13/13/655-R van de rechtbank Amsterdam van 16 december 2015;
b. het arrest in de zaak 200.182.339/01 van het gerechtshof Amsterdam van 26 januari 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot niet-ontvankelijkheid van het cassatieberoep met toepassing van art. 80a lid 1 RO.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 5 – 8).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
13 mei 2016.