Uitspraak
wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid
4.Beslissing
13 mei 2016.
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Hoge Raad
In deze zaak betrof het een verzoek tot cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam inzake de tussentijdse beëindiging van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP). De verzoeker werd verweten de informatie- en sollicitatieplicht niet na te komen en nieuwe schulden te hebben laten ontstaan, wat aanleiding gaf tot beëindiging van de WSNP.
De Hoge Raad verwijst naar het vonnis van de rechtbank Amsterdam en het arrest van het gerechtshof Amsterdam, waarin de beëindiging werd bevestigd. Het cassatieberoep werd ingesteld tegen dit arrest. De Procureur-Generaal adviseerde niet-ontvankelijkheid op grond van artikel 80a lid 1 van het Wetboek van Rechtsvordering (RO).
De Hoge Raad oordeelde dat de klachten onvoldoende waren om behandeling in cassatie te rechtvaardigen, omdat de verzoeker geen voldoende belang had bij het beroep of de klachten niet tot cassatie konden leiden. Daarom werd het beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest werd uitgesproken door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Heisterkamp en Tanja-van den Broek.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende belang bij het beroep.