Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
17 mei 2016.
Hoge Raad
Betrokkene stelde in hoger beroep een draagkrachtverweer in tegen een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Hij voerde aan dat hij niet in staat was het bedrag te betalen en dat dit ook in de toekomst niet zou veranderen, onder meer vanwege zijn financiële situatie en leeftijd.
De Hoge Raad overwoog dat het draagkrachtverweer in beginsel pas in de executiefase aan de orde dient te komen, tenzij het op het moment van de uitspraak en in de toekomst duidelijk is dat betrokkene geen draagkracht heeft. Het hof had het aangevoerde verweer niet als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van de wet opgevat, wat niet onbegrijpelijk was.
De Hoge Raad zag geen onjuiste rechtsopvatting in het oordeel van het hof en verwierp het cassatieberoep. Hiermee blijft de ontnemingsvordering in stand en wordt bevestigd dat draagkrachtverweer niet in de hoofdzaak, maar in de executiefase beoordeeld wordt.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het draagkrachtverweer wordt pas in de executiefase aan de orde gesteld.