Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
17 mei 2016.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam. Het middel klaagde terecht dat de aantekening van het mondelinge arrest van het hof geen beslissing bevatte omtrent de strafbaarheid van verdachte, noch de bijzondere redenen voor de strafoplegging vermeldde, zoals vereist volgens art. 425 lid 3 Sv Pro en de Regeling aantekening mondeling vonnis.
De Advocaat-Generaal concludeerde tot vernietiging van het bestreden arrest, maar uitsluitend voor zover het hof geen beslissing had genomen over strafbaarheid en strafoplegging. De Hoge Raad oordeelde dat het middel niet tot cassatie kon leiden voor het eerste middel, maar dat het tweede middel gegrond was vanwege het ontbreken van de vereiste beslissingen in de aantekening.
Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest uitsluitend voor dat deel en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe berechting en beslissing omtrent strafbaarheid en strafoplegging. Voor het overige werd het beroep verworpen. Dit arrest is gewezen door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad en uitgesproken in openbare terechtzitting op 17 mei 2016.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd wegens het ontbreken van een beslissing over strafbaarheid en strafoplegging en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.