ECLI:NL:HR:2016:88

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 januari 2016
Publicatiedatum
21 januari 2016
Zaaknummer
14/02279
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • J.A.C.A. Overgaauw
  • D.G. van Vliet
  • P. Lourens
  • E.N. Punt
  • L.F. van Kalmthout
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11, lid 1, letter o, Wet OB
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt één ondeelbare prestatie voor gezamenlijke onderwijsinstellingen bij omzetbelasting

Twee onderwijsinstellingen verzorgden gezamenlijk volwassenenonderwijs onder een gemeenschappelijke naam en voor gemeenschappelijke rekening. De vraag was of de werkzaamheden, waaronder ondersteunende taken, voor de heffing van omzetbelasting gesplitst moesten worden of als één ondeelbare prestatie moesten worden gezien.

De Staatssecretaris van Financiën stelde zich op het standpunt dat de werkzaamheden opgesplitst moesten worden, wat leidde tot naheffingsaanslagen over meerdere perioden. De onderwijsinstellingen voerden aan dat de aard van de werkzaamheden één ondeelbare prestatie vormde, namelijk het verstrekken van onderwijs.

Na behandeling in lagere instanties kwam de zaak bij de Hoge Raad. Deze oordeelde dat de ondersteunende werkzaamheden niet gesplitst hoeven te worden voor de omzetbelasting, omdat de aard van de prestatie het verstrekken van onderwijs betreft, wat één ondeelbare prestatie is.

Het cassatieberoep van de Staatssecretaris werd ongegrond verklaard. De Hoge Raad veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten en bevestigde daarmee het oordeel van het gerechtshof dat de werkzaamheden als één prestatie moeten worden beschouwd.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard; de werkzaamheden vormen één ondeelbare prestatie voor de omzetbelasting.

Uitspraak

22 januari 2016
Nr. 14/02279
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van de
Staatssecretaris van Financiëntegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 14 maart 2014, nrs. BK-13/01202, BK-13/01203 en BK-13/01204, op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 12/10997, SGR 12/10998 en SGR 12/10999) betreffende aan
fiscale eenheid Stichting [X1] , [X2] B.V. c.s.te
[Z](hierna: belanghebbende) over de perioden 1 september 2008 tot en met 31 augustus 2009, 1 september 2009 tot en met 31 augustus 2010 en 1 september 2010 tot en met 31 augustus 2011 opgelegde naheffingsaanslagen in omzetbelasting. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.

1.Geding in cassatie

De Staatssecretaris heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal M.E. van Hilten heeft op 7 januari 2015 geconcludeerd tot het ongegrond verklaren van het beroep in cassatie.
Zowel de Staatssecretaris als belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.

2.Beoordeling van het middel

Het middel kan niet tot cassatie leiden op gronden die zijn vermeld in onderdeel 2.5.3 van het heden in de zaak met nummer 14/02281 uitgesproken arrest van de Hoge Raad, waarvan een geanonimiseerd afschrift aan dit arrest is gehecht.

3.Proceskosten

De Staatssecretaris zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaak met nummer 14/02281 met de onderhavige zaak samenhangt in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verklaart het beroep in cassatie ongegrond,
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op de helft van € 1860, derhalve € 930, voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren D.G. van Vliet, P. Lourens, E.N. Punt en L.F. van Kalmthout, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2016.
Van de Staatssecretaris van Financiën wordt een griffierecht geheven van € 493.