Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.De feiten
8. Deelnemers
5. Ondersteunende diensten
3.Het geding in feitelijke instanties
met betrekking tot het geheel van met het verzorgen van de VAVO-opleidingen gemoeide werkzaamheden geen andere voor de omzetbelasting in aanmerking te nemen prestaties zijn te onderkennen dan de door belanghebbende en [X3] gezamenlijk, dat wil zeggen op gemeenschappelijke naam, te weten [A], onder gemeenschappelijke verantwoordelijkheid en voor gemeenschappelijke rekening, verrichte prestaties, bestaande in het verstrekken van onderwijs, welke prestaties van omzetbelasting zijn vrijgesteld.Voor dat geval staat vast dat de naheffingsaanslagen ten onrechte zijn opgelegd.”
4.Het geding in cassatie
5.Het resultaat
Omzetbelasting(1979), blz. 277-278: [15]
6.[A] afzonderlijke entiteit?
nietaan de heffing van omzetbelasting zijn onderworpen. Ik roep in dit kader in herinnering het arrest van het HvJ van 27 januari 2000, Heerma, C-23/98, ECLI:EU:C:2000:46, waarin de vraag aan de orde was of de maat van een (landbouw)maatschap die een stal verhuurde aan ‘zijn’ maatschap voor die activiteit ondernemer was (en kon opteren voor belaste verhuur van de stal). Het HvJ beantwoordde deze vraag bevestigend:
zowel de onderlinge als die met derden (waaronder afnemers en leveranciers) – van belang. De betrokken partijen moeten hebben afgesproken dat zij welbepaalde economische activiteiten – zowel in de onderlinge verhoudingen als naar buiten toe – als één ondernemer verrichten en zij moeten ook dienovereenkomstig hebben gehandeld. Daarbij kan de omstandigheid dat (rechts)personen onder een gemeenschappelijke naam economische activiteiten verrichten en/of onder een gemeenschappelijke naam bekend staan, een aanwijzing zijn dat (rechts)personen zijn overeengekomen gezamenlijk een onderneming te drijven en onder die naam extern (rechts)betrekkingen met bijvoorbeeld leveranciers en afnemers te onderhouden. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat (rechts)personen hebben afgesproken voor welbepaalde activiteiten samen te werken.”
7.Prestaties tegen vergoeding?
8.Het Hof en het middel
9.Onderwijsvrijstelling
Om als onontbeerlijk voor het (…) verstrekte onderwijs te worden beschouwd, moet de terbeschikkingstellingvan docenten door Horizon College in het hoofdgeding – bijvoorbeeld wegens de kwalificaties van het betrokken personeel of de flexibiliteit van de voorwaarden van hun terbeschikkingstelling –
zodanig zijn dat hetzelfde niveau en dezelfde kwaliteit onderwijs niet kunnen worden verzekerd door louter een beroep te doen op dergelijke uitzendbureaus.”