ECLI:NL:HR:2016:91

Hoge Raad

Datum uitspraak
22 januari 2016
Publicatiedatum
21 januari 2016
Zaaknummer
15/01401
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart beroep in cassatie ongegrond inzake vennootschapsbelasting 2004

Belanghebbende, een besloten vennootschap, maakte beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag betreffende een aanslag vennootschapsbelasting over het jaar 2004. Dit betrof het tweede cassatiegeding na vernietiging van een eerdere uitspraak door de Hoge Raad en verwijzing naar het Hof.

De Hoge Raad ontving drie middelen van belanghebbende en een verweerschrift van de Staatssecretaris van Financiën. Na beoordeling concludeerde de Hoge Raad dat de middelen niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering vereist was, aangezien de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad wees tevens af om proceskosten toe te wijzen en verklaarde het beroep in cassatie ongegrond. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en raadsheren in aanwezigheid van de waarnemend griffier op 22 januari 2016.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard zonder nadere motivering.

Uitspraak

22 januari 2016
Nr. 15/01401
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van
[X] B.V.te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof Den Haagvan 17 februari 2015, nr. BK‑14/00578 betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2004 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.

1.Het eerste geding in cassatie

De uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam (nr. 11/00499) is op het beroep van belanghebbende bij arrest van de Hoge Raad van 23 mei 2014, nr. 13/01647, ECLI:NL:HR:2014:1188, BNB 2014/175, vernietigd, met verwijzing van het geding naar het Gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dat arrest.

2.Het tweede geding in cassatie

Belanghebbende heeft tegen ’s Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld en daarbij drie middelen voorgesteld.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.

3.Beoordeling van de middelen

De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Proceskosten

De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

5.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.C.A. Overgaauw als voorzitter, en de raadsheren C.B. Bavinck en P.M.F. van Loon, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2016.