Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste en het tweede middel
3.Beoordeling van het derde middel
4.Slotsom
5.Beslissing
24 mei 2016.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene stelde dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro in de cassatiefase was overschreden doordat stukken te laat werden ingezonden door het hof. De Hoge Raad oordeelde dat dit middel gegrond was en leidde tot een vermindering van de betalingsverplichting van €100.824,16 naar €95.824,16.
De overige middelen van cassatie werden verworpen omdat zij geen aanleiding gaven tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling. De Hoge Raad vernietigde de bestreden uitspraak uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de betalingsverplichting en verwierp het beroep voor het overige.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, uitgesproken tijdens een openbare terechtzitting op 24 mei 2016.
Uitkomst: Betalingsverplichting verminderd tot €95.824,16 wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase.