Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof ten onrechte niet heeft beslist op het verzoek van de raadsman van de betrokkene om de getuigen [betrokkene 1] , [betrokkene 2] , [betrokkene 3] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] te horen.
tweede middelbevat de klacht dat het hof ten onrechte, althans onvoldoende met redenen omkleed, het verweer betreffende de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep heeft verworpen.
(ii) In de ontnemingszaak heeft de eerste terechtzitting in eerste aanleg plaatsgevonden op 26 januari 2010. De rechtbank heeft de zaak aangehouden, omdat er op verzoek van de verdediging drie in Suriname woonachtige getuigen moeten worden gehoord, waarbij de rechtbank de zaak heeft verwezen naar de rechter-commissaris. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat er eerst een schriftelijke conclusiewisseling dient te geschieden en heeft de rechtbank daartoe termijnen bepaald. Nadat de gevraagde getuigen in de periode van 11 oktober tot en met 13 oktober 2010 in Suriname zijn gehoord, heeft de rechtbank nieuwe termijnen bepaald voor de conclusiewisseling. De volgende terechtzitting heeft plaatsgevonden op 15 november 2011. Op die zitting heeft de rechtbank de zaak aangehouden vanwege een toegewezen aanhoudingsverzoek in de zaak tegen de medeveroordeelde Dhanai. De derde terechtzitting (de inhoudelijke behandeling) heeft plaatsgevonden op 24 januari 2012. De raadsman heeft op die zitting opgemerkt dat het klopt dat hij diverse stukken te laat heeft ingeleverd.
(iii) De rechtbank heeft bij beslissing van 6 maart 2012 aan de betrokkene een ontnemingsmaatregel opgelegd. Daarbij heeft de rechtbank geoordeeld dat er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Daartoe verwees de rechtbank naar de ingewikkeldheid van de zaak, het horen van getuigen in Suriname en de omstandigheid dat aan de kant van de bevoegde autoriteiten geen sprake is geweest van een lange periode van inactiviteit. De rechtbank heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 156.072,05 en aan de betrokkene voor datzelfde bedrag een betalingsverplichting opgelegd.
(iv) Namens de betrokkene is op 6 maart 2012 hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank.
(v) De stukken van het geding zijn op 21 september 2012 bij het hof binnengekomen.
(vi) De voorzitter van het hof heeft bij brieven van 24 juni 2013, gericht aan de raadsman van de betrokkene en de advocaat-generaal bij het hof, verzocht om eventuele onderzoekswensen binnen drie weken (na 24 juni 2013) op te geven. Voorts is de raadsman verzocht om binnen negen weken (na 24 juni 2013) schriftelijk zijn bezwaren tegen de beslissing van de rechtbank uiteen te zetten en deze conclusie aan het hof toe te zenden, waarna de advocaat-generaal hierop binnen zes weken kan reageren. De onderzoekswensen van de raadsman zijn op 23 augustus 2013 op de strafgriffie van het hof binnengekomen. De advocaat-generaal heeft op 3 december 2013 gereageerd op deze onderzoekswensen. Op de terechtzitting in hoger beroep van 9 december 2013 is de zaak in hoger beroep voor de eerste maal behandeld. Op verzoek van de raadsman van de betrokkene heeft het hof bepaald dat er eerst een schriftelijke conclusiewisseling dient te geschieden. De voorzitter van het hof heeft daartoe termijnen bepaald, waaraan de raadsman zich niet heeft gehouden. [9] Op de terechtzitting in hoger beroep van 9 september 2014 heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden.
(vii) Het hof heeft bij uitspraak van 23 september 2014 aan de betrokkene een ontnemingsmaatregel opgelegd. Daarbij heeft het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 100.824,16 en aan de betrokkene voor datzelfde bedrag een betalingsverplichting opgelegd.
derde middelbehelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.