Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Beslissing
24 mei 2016.
Hoge Raad
De verdachte stelde in cassatie dat de staandehouding onrechtmatig was en dat bewijsuitsluiting op grond van artikel 359a, tweede lid, Sv toegepast moest worden. Het Gerechtshof Amsterdam had echter geoordeeld dat de staandehouding rechtmatig was en dat er geen gronden waren voor bewijsuitsluiting.
De Hoge Raad overwoog dat het hof geen onjuiste opvatting had gegeven en dat het oordeel niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd was. Er was geen sprake van een verweer dat tot bewijsuitsluiting strekte.
Daarom verwierp de Hoge Raad het cassatieberoep zonder nadere motivering, conform artikel 81, eerste lid, RO, omdat er geen rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
Het arrest werd gewezen door de vice-president en twee raadsheren, en het beroep werd namens de verdachte ingesteld door advocaat J. IJdis. De Advocaat-Generaal concludeerde tot verwerping van het beroep.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; de staandehouding is rechtmatig en bewijs wordt niet uitgesloten.