ECLI:NL:HR:2016:999

Hoge Raad

Datum uitspraak
27 mei 2016
Publicatiedatum
27 mei 2016
Zaaknummer
16/00629
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Artikel 80a RO-zaken
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 354 Fw
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart cassatieberoep niet-ontvankelijk in WSNP-beëindigingszaak

In deze zaak stond de beëindiging van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen (WSNP) zonder schone lei centraal, waarbij sollicitatie- en informatieverplichtingen een rol speelden. Verzoekster stelde beroep in cassatie in tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch, dat op zijn beurt het vonnis van de rechtbank Limburg bevestigde.

De Hoge Raad verwees naar de eerdere vonnissen en arresten en oordeelde dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen. Dit omdat verzoekster klaarblijkelijk onvoldoende belang had bij het cassatieberoep of omdat de klachten niet tot cassatie konden leiden, zoals ook door de Procureur-Generaal was betoogd.

Daarom verklaarde de Hoge Raad, na gehoord te hebben de Procureur-Generaal, het cassatieberoep niet-ontvankelijk. Het arrest werd uitgesproken door de raadsheren, met G. de Groot als openbaar aankondiger van het arrest.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan voldoende belang of niet-ontvankelijkheid van de klachten.

Uitspraak

27 mei 2016
Eerste Kamer
16/00629
LZ/RB
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[verzoekster],
wonende te [woonplaats],
VERZOEKSTER tot cassatie,
advocaat: mr. P.J.Ph. Dietz de Loos.
Verzoekster zal hierna ook worden aangeduid als [verzoekster].

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak met het insolventienummer C/03/12/594 R van de rechtbank Limburg van 1 december 2015;
b. het arrest in de zaak 200.181.518/01 van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 28 januari 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [verzoekster] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Het standpunt van de Procureur-Generaal strekt tot toepassing van artikel 80a lid 1 RO.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid

De Hoge Raad is van oordeel dat de aangevoerde klachten geen behandeling in cassatie rechtvaardigen omdat de partij die het cassatieberoep heeft ingesteld klaarblijkelijk onvoldoende belang heeft bij het cassatieberoep dan wel omdat de klachten klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden (zie het standpunt van de Procureur-Generaal onder 3-6).
De Hoge Raad zal daarom – gezien art. 80a lid 1 RO en gehoord de Procureur-Generaal – het beroep
niet-ontvankelijk verklaren.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, A.H.T. Heisterkamp en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
27 mei 2016.