Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Procesgang
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
6 juni 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de Officier van Justitie tegen een beschikking van de Rechtbank Den Haag die het hoger beroep op een beschikking van de Rechter-Commissaris ongegrond verklaarde. De Rechter-Commissaris had de verdachte onmiddellijk in vrijheid gesteld omdat de wettelijke termijn van maximaal 87 uur voor de toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling was overschreden.
De Officier van Justitie had een vordering tot inbewaringstelling ingediend, maar deze werd afgewezen door de Rechter-Commissaris, en dit werd bevestigd door de Rechtbank in hoger beroep. De Officier van Justitie stelde dat er niet expliciet was beslist over de vordering tot bewaring en dat de afwijzing niet was gemotiveerd.
De Hoge Raad oordeelt dat de beschikking van de Rechter-Commissaris mede strekt tot afwijzing van de vordering tot inbewaringstelling en dat het hoger beroep van de Officier van Justitie zich ook daarover uitstrekt. De rechtbank heeft voldoende gemotiveerd waarom de termijnoverschrijding niet kon worden gepasseerd, mede gezien het belang van strikte naleving van artikel 59a Sv. Het cassatieberoep wordt verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Officier van Justitie wordt verworpen en de onmiddellijke invrijheidstelling van de verdachte blijft gehandhaafd.