Conclusie
middelklaagt in de eerste plaats dat de rechtbank de beschikking van de rechter-commissaris niet had mogen bevestigen, omdat de rechter-commissaris heeft verzuimd te beslissen op de vordering tot bewaring.
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van de officier van justitie tegen een beschikking van de rechtbank Den Haag die het hoger beroep ongegrond verklaarde tegen de onmiddellijke invrijheidsstelling van een verdachte wegens termijnoverschrijding.
De verdachte was aangehouden op 30 september 2016 en op 4 oktober 2016 in verzekering gesteld. Op die dag diende de officier van justitie een vordering tot inbewaringstelling in, waarop de rechter-commissaris dezelfde dag besliste tot onmiddellijke invrijheidsstelling wegens overschrijding van de termijn van voorgeleiding. De rechter-commissaris besloot niet expliciet over de vordering tot bewaring, maar de Hoge Raad acht dit impliciet als afwijzing daarvan.
De rechtbank bevestigde de beschikking van de rechter-commissaris door het hoger beroep ongegrond te verklaren, maar motiveerde niet waarom de vordering tot bewaring werd afgewezen. De Hoge Raad stelt dat gebreken in de inverzekeringstelling geen zelfstandige grond vormen voor afwijzing van de vordering tot bewaring en dat het motiveringsgebrek in de beslissing leidt tot gedeeltelijke vernietiging van de beschikking en terugwijzing naar de rechtbank voor hernieuwde behandeling.
De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ontvankelijk en wijst erop dat het verzuim om te beslissen op de vordering tot bewaring gelijkstaat aan afwijzing, waardoor cassatie mogelijk is. De zaak wordt terugverwezen voor een inhoudelijke beoordeling van de vordering tot bewaring met de vereiste motivering.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beslissing over de afwijzing van de vordering tot bewaring wegens motiveringsgebrek en verwijst de zaak terug naar de rechtbank.