Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.De bestreden beschikking
3.Beoordeling van het eerste middel
4.Beoordeling van het tweede middel
5.Beslissing
6 juni 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond het verschoningsrecht van een advocaat centraal in het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar valsheid in geschrift. Bij een doorzoeking in de woning van een medeklager werden diverse papieren en digitale geheimhouderstukken in beslag genomen, waaronder correspondentie en declaraties van klaagster. De rechter-commissaris oordeelde dat sommige stukken, waaronder creditnota's en brieven, voorwerp zijn van het strafbare feit of tot het begaan daarvan hebben gediend, waardoor deze niet onder het verschoningsrecht vallen.
Klaagster stelde zich op het standpunt dat bepaalde stukken, met name brieven tussen twee bestuurders en creditnota's, onder haar verschoningsrecht vielen. De rechtbank oordeelde echter dat de brieven niet onder haar verschoningsrecht vielen omdat deze niet zagen op correspondentie met haar en dat de creditnota's voorwerp waren van het strafbare feit. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en benadrukte dat het verschoningsrecht alleen geldt voor communicatie die direct verband houdt met de juridische dienstverlening aan de cliënt.
De Hoge Raad overwoog dat de stukken 50 en 52, brieven tussen bestuurders van de betrokken vennootschap, niet onder het verschoningsrecht vallen omdat zij niet zien op correspondentie met klaagster. Daarnaast zijn de creditnota's (stukken 13 tot en met 29) volgens de Hoge Raad terecht aangemerkt als voorwerp van het strafbare feit, aangezien zij betrekking hebben op valse facturering ten laste van de vennootschap terwijl de kosten privé waren. Het cassatieberoep werd daarom verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van klaagster wordt verworpen en het verschoningsrecht wordt niet erkend voor de betwiste stukken.