ECLI:NL:HR:2017:1039

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juni 2017
Publicatiedatum
8 juni 2017
Zaaknummer
15/05283
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 47 AWR
Verwijzingen
4 uitgaand · 3 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt weigering verstrekking buitenlandse bankgegevens aan Belastingdienst

De zaak betreft een geschil tussen belastingplichtigen en de Belastingdienst over de vordering tot het verstrekken van inlichtingen over een buitenlandse bankrekening in Luxemburg. De belastingplichtigen verzetten zich tegen deze vordering, mede vanwege de restricties op het gebruik van de gegevens en de bewaarplicht van gegevens ouder dan tien jaar.

Na eerdere uitspraken van de voorzieningenrechter en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarbij het hof het verzoek van de belastingplichtigen afwees, is het geschil voorgelegd aan de Hoge Raad. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep van de belastingplichtigen verworpen, waarbij werd overwogen dat de klachten niet tot cassatie konden leiden en geen nadere motivering behoefden.

De Hoge Raad bevestigt daarmee het oordeel van het hof en wijst het beroep af. Tevens veroordeelt de Hoge Raad de belastingplichtigen tot betaling van de proceskosten. De uitspraak onderstreept de toepassing van artikel 81 lid 1 RO Pro in combinatie met de fiscale bevoegdheden van de Belastingdienst onder artikel 47 AWR Pro, en bevestigt de redelijkheidstoetsing bij het opleggen van dwangsommen en het gebruik van verkregen gegevens.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het hof.

Uitspraak

9 juni 2017
Eerste Kamer
15/05283
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [eiser 1],
2. [eiseres 2],
beiden wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: aanvankelijk mr. A.J.F. Gonesh, thans mr. J.H. van Gelderen,
t e g e n
de STAAT DER NEDERLANDEN (Ministerie van Financiën, Directoraat-Generaal Belastingdienst),
zetelende te ’s-Gravenhage,
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. J.W.H. van Wijk.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als de belastingplichtigen en de Staat.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in de zaak C/05/245105/KG ZA 13-316 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland van 19 september 2013;
b. het arrest in de zaak 200.144.894 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 25 augustus 2015.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof hebben de belastingplichtigen beroep in cassatie ingesteld.
De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staat heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten en voor de Staat mede door mr. C.M. Bergman.
De conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt de belastingplichtigen in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Staat begroot op € 848,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.A. Streefkerk als voorzitter en de raadsheren A.H.T. Heisterkamp, G. Snijders, G. de Groot en T.H. Tanja-van den Broek, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer M.V. Polak op
9 juni 2017.