Conclusie
‘fishing expedition’en ten slotte de vraag of het hof aan de dwangsomsanctie een redelijkheidsclausule had moeten verbinden.
1.Feiten en procesverloop
“Gedateerd 19 februari 2014 ontving ik van u een verklaring omtrent de datum van sluiting in uw boeken van rekening nr. [001] per 13 december 2001
”.
2.Bespreking van de cassatiemiddelen
nietom het veelbesproken vraagstuk of ten aanzien van een rechterlijk bevel tot het verstrekken van ‘wilsafhankelijk’ bewijsmateriaal een restrictie in het dictum nodig is die het gebruik van dat bewijsmateriaal voor punitieve doeleinden verbiedt. Dat vraagstuk houdt verband met het
nemo tenetur-beginsel: kort gezegd het beginsel dat een verdachte niet gehouden kan worden bewijs tegen zichzelf te leveren [4] . In het onderhavige kort geding heeft de voorzieningenrechter inderdaad een zodanige restrictie verbonden aan de veroordeling; zie het dictum in eerste aanleg onder 5.5. Die beslissing is in hoger beroep bekrachtigd en behoeft in cassatie geen bespreking.
bij analogiein aanmerking behoren te nemen [9] .
bij een administratieplichtige. De administratie- en bewaarplicht bedoeld in art. 52 lid 4 AWR Pro geldt niet voor particulieren die niet zijn aan te merken als ‘administratieplichtigen’ in de zin van art. 52 AWR Pro [12] . In cassatie kan tot uitgangspunt worden genomen dat het echtpaar niet behoort tot de categorie van ‘administratieplichtigen’ als bedoeld in art. 52 AWR Pro. Om die reden kan het echtpaar aan de veronderstelde beleidsregel geen gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat de Belastingdienst ten opzichte van hen geen gebruik zal maken van zijn bevoegdheden op grond van art. 47 AWR Pro.
bis; de nummering van het hof is niet consequent) ten onrechte heeft geoordeeld dat de Belastingdienst het voor een kort geding vereiste spoedeisend belang heeft bij deze vordering. Volgens het hof is het echtpaar niet bereid toelichting te geven over de door hen bij KB-Lux aangehouden rekening(en). Volgens de klacht komt in het bestreden arrest naar voren dat de man en de vrouw steeds hebben ontkend dat zij een rekening bij KB-Lux hebben aangehouden. Anderzijds heeft het hof vastgesteld dat de man in 2014 aan KB-Lux een verzoek heeft gedaan om hem informatie te verschaffen omtrent de door hem bij KB-Lux aangehouden rekening. De vaststelling dat de man dit verzoek heeft gedaan impliceert volgens het middel een erkenning door de man dat hij een rekening heeft aangehouden bij KB-Lux. Deze innerlijke tegenspraak maakt de beslissing onbegrijpelijk. Bij een beoordeling
ex nunczou veeleer de gevolgtrekking voor de hand hebben gelegen dat het echtpaar wel bereid is om de gevraagde toelichting te geven. Gelet op het ingrijpende karakter van een dwangsomsanctie, is de vaststelling dat het echtpaar geen toelichting wenst te geven, niet gerechtvaardigd: deze vaststelling berust slechts op een vermoeden. Tot zover de klacht.
bis), waarin het gaat om de mondelinge toelichting op de opgaaf van vermogensbestanddelen in het buitenland. De daarop volgende overweging 4.16 (4.13
bis) ziet eveneens op het spoedeisend belang. Het hof heeft in laatstgenoemde rechtsoverweging overwogen dat de Belastingdienst het spoedeisend belang bij de vordering voldoende heeft toegelicht. Dat oordeel kan de beslissing zelfstandig dragen. Bij deze lezing mist het echtpaar belang bij de klacht van middel 3.
ex nunc). Integendeel, in rov. 4.15 (rov. 4.12
bis) acht het hof van belang dat het echtpaar “tot nu toe” steeds heeft ontkend zo’n rekening te hebben aangehouden. In die situatie was het volgens het hof voor de Belastingdienst niet zinvol hen uit te nodigen om een mondelinge toelichting te geven. In rov. 4.16 (rov. 4.13
bis) gaat het hof uitdrukkelijk ervan uit dat de Belastingdienst, ondanks het tijdsverloop sedert de ontdekking van de microfiches, nog steeds spoedeisend belang heeft bij de vordering.
bis) onderkend dat de man in 2014 alsnog informatie heeft opgevraagd bij KB-Lux. Het hof heeft dit feit echter niet aangemerkt als een concrete aanwijzing dat het spoedeisend belang aan de vordering van de Belastingdienst is komen te ontvallen omdat het echtpaar (alsnog) bereid zou zijn om opening van zaken te geven. Dit aan de feitenrechter voorbehouden oordeel is niet onbegrijpelijk. In de zienswijze van de Belastingdienst – en van het hof, aan het slot van deze rechtsoverweging − is de volgorde kennelijk deze: dat de betrokkene eerst wordt uitgenodigd om volledig opgaaf te doen van vermogensbestanddelen in het buitenland en daarvan bescheiden over te leggen en inlichtingen te geven en pas daarna wordt uitgenodigd, zo nodig, om een mondelinge toelichting daarop te geven. Middel 3 leidt niet tot cassatie.
Middel 4klaagt (a) over de veroordeling om bescheiden te verstrekken van (rekeningen bij) andere banken dan KB-Lux en (b) over de veroordeling om bescheiden te verstrekken van (rekeningen bij) KB-Lux voor zover die ouder zouden zijn dan tien jaar.
fruits de merboven water worden gehaald maar ook ‘bijvangst’. De uitdrukking ontbeert evenwel de juridische precisie die mag worden verwacht wanneer het gaat om de afbakening van overheidsbevoegdheden en grondrechten. In wezen betreft het hier een toepassing van de eisen van proportionaliteit. Indien sprake is van een inmenging door een overheidsorgaan in de uitoefening van het recht op privacy (want daar gaat het meestal om in dit type gevallen), vereist art. 8 lid 2 EVRM Pro niet alleen dat de inmenging in de wet is geregeld, maar ook: dat de inmenging plaatsvindt ten behoeve van een legitiem doel; dat de inzet van het door de overheid gebezigde middel in een redelijke verhouding staat tot dat doel (proportionaliteit), in welk verband mede van belang is of een andere, minder belastende methode beschikbaar is om dat doel te bereiken (subsidiariteit). Ten slotte is een afweging vereist van de wederzijds bij het concrete geval betrokken belangen. Een zoekactie door de Belastingdienst zonder een concrete aanwijzing dát de persoon van wie de informatie wordt gevorderd in staat is de gevraagde informatie te verschaffen, of zonder concrete aanduiding van de te verschaffen informatie, zal niet snel aan deze verdragsrechtelijke vereisten voldoen. De startinformatie (d.w.z. informatie die de Belastingdienst aanleiding geeft tot het instellen van een onderzoek) kan algemeen van aard zijn, zoals die verkregen door analyse van economische gegevens (zoals omzetcijfers, gemiddelde kosten per producteenheid) in de desbetreffende bedrijfstak of verwante bedrijfstakken zoals toeleveranciers en vervoerders, dan wel specifiek (bijv. onverklaarbaar snel opeenvolgende vastgoedtransacties van één persoon). Om in kort geding een vordering in te stellen op grond van art. 47 AWR Pro is meer nodig dan zulke algemene startinformatie. In de terminologie van de Hoge Raad: er moeten voldoende aanknopingspunten zijn om aannemelijk te achten dat de betrokkene die gegevens en inlichtingen kan verstrekken. Daarnaast geldt dat de inmenging door de Belastingdienst in voorkomend geval moet kunnen voldoen aan de vereisten van art. 8 lid 2 EVRM Pro (geen ‘fishing expedition’).
- het onherroepelijke oordeel van de belastingrechter dat de man en de vrouw moeten worden aangemerkt als rekeninghouder bij KB-Lux in de periode tot en met het jaar 2000, en dat dit ook heeft te gelden voor de jaren 2001 en 2002;
- uit de brief van 3 maart 2014 volgt dat de man en de vrouw tot 13 december 2001 rekeninghouder zijn geweest bij KB-Lux;
- de weigering van het echtpaar om op daartoe strekkend verzoek van de Belastingdienst informatie te geven over hun bankrekeningen bij KB-Lux en opgaaf te doen van de tegoeden
geen onderzoek doetnaar (bancaire) verrichtingen die ouder zijn dan tien jaar. Ruim vóór het verstrijken van de tien jaarstermijn waren de man en de vrouw al bekend met het opvragen door de Belastingdienst van deze informatie en hadden zij, zo nodig, zelf rekeningafschriften of andere documentatie bij KB-Lux kunnen opvragen en vervolgens aan de Belastingdienst kunnen verstrekken. Voor zover belastingplichtigen dat hebben nagelaten, ligt het volgens het hof op hun weg om de verzochte informatie op een andere wijze te verstrekken. Rechtens onjuist of onbegrijpelijk is dit oordeel niet. Het gaat hier om een gelede vordering: de Belastingdienst beoogt primair te onderzoeken of deze belastingplichtigen andere rekeningen in het buitenland aanhouden of hebben aangehouden, met het oog op de belastingheffing. Zo ja, dan dienen de belastingplichtigen vervolgens de daarop betrekking hebbende opgevraagde gegevens aan de Belastingdienst te verstrekken, zoals data van overboekingen, bedragen, valuta etc., voor zover zij over die informatie beschikken of, waar nodig, met de redelijkerwijs van hen te vergen inspanning kunnen beschikken.
alledoor hen vanaf 31 januari 1994 in het buitenland aangehouden bankrekeningen. Ook de ruime omschrijving van deze vordering is m.i. niet aan te merken als een ontoelaatbare
fishing expedition. Als gevolg van de weigering van het echtpaar om de gevraagde inlichtingen te verschaffen, zijn er nog steeds voldoende aanknopingspunten voor de veronderstelling dat het echtpaar ergens in het buitenland banktegoeden of andere vermogensbestanddelen heeft gehad waarmee de Belastingdienst nog niet bekend is. Er is sprake van een zekere wisselwerking tussen de mate waarin de belastingplichtige medewerking verleent aan het onderzoek op grond van art. 47 AWR Pro en de toewijsbaarheid van een door de Belastingdienst op dat artikel gebaseerde vordering. Stel dat het echtpaar de op art. 47 AWR Pro gebaseerde vragen van de Belastingdienst zouden hebben beantwoord door (mondeling of schriftelijk) uitleg te geven wat er precies is gebeurd met het positieve saldo dat – naar het hof aanneemt – op een bepaalde datum op de verzwegen rekening bij KB-Lux heeft gestaan, dan mag van de Staat (Belastingdienst) worden verwacht dat de vordering wordt toegesneden op slechts hetgeen de Belastingdienst nog aan informatie (gegevens, bescheiden enz.) mist. In gevallen waarin iedere medewerking aan het verschaffen van informatie ontbreekt, kan mijns inziens een ruimere formulering van de vordering op grond van art. 47 AWR Pro worden aanvaard. De slotsom is dat de middelen 4 en 5 falen.
zesde middelklaagt dat het hof ten onrechte niet aan de dwangsomveroordeling een clausule heeft verbonden, welke inhoudt dat geen dwangsommen worden verbeurd voor zover dit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht. Volgens de toelichting op deze klacht heeft het hof art. 3:14 BW Pro miskend, waarin is vastgelegd dat een bevoegdheid die de Staat krachtens het burgerlijk recht toekomt niet mag worden uitgeoefend in strijd met geschreven of ongeschreven regels van publiekrecht. Wanneer de Staat (Belastingdienst) verbeurde dwangsommen incasseert, treedt deze op als bestuursorgaan en is deze gebonden aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur.