Uitspraak
wonende te [woonplaats],
beiden wonende te [woonplaats],
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de middelen
4.Beslissing
9 juni 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de gebruiker van een perceel eigenaar was geworden door verjaring op grond van artikel 3:107 en Pro 3:108 BW. De zaak betrof een geschil tussen eiser en verweerders over de eigendom van een perceel. De rechtbank Limburg en het gerechtshof ’s-Hertogenbosch hadden eerder uitspraak gedaan, waarbij het hof het eigendom van de gebruiker door verjaring had afgewezen.
Eiser stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof, maar verweerders verschenen niet in cassatie. De Advocaat-Generaal adviseerde het cassatieberoep te verwerpen. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat geen nadere motivering nodig was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde eiser in de kosten van het geding, die nihil werden begroot. Hiermee bleef het arrest van het hof ongewijzigd en is bevestigd dat de gebruiker geen eigenaar is geworden door verjaring.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof wordt bekrachtigd.