Conclusie
1.[verweerster 1],
[verweerder 2],
1.Feitenen procesverloop
zelfmet mij hier over kontakt opneemt om uiteindelijk aan een tonnen hoge schadeclaim te ontkomen.”
2.Bespreking van het cassatiemiddel
Gemeente Arnhem/[...]waarin zij stelt dat van houderschap ook sprake kan zijn zonder dat sprake is van een vooraf beoogde rechtsverhouding [21] . In gelijke zin NJ-annotator Snijders in zijn noot onder dit arrest. Hij noemt onder 5 als voorbeelden naast joyriding en het zonder toestemming lenen van een boek ook het geval dat de erfpachter, huurder of eigenaar van een perceel een gedeelte van een aangrenzend perceel bij de zijne voegt zonder de pretentie te hebben eigenaar te zijn, maar om te bezien “hoe ver hij met de eigenaar kan gaan.” [22]
[.../...]-arrest valt wellicht af te leiden dat Uw Raad dit onderschrijft [23] . De instructieve NJ-noot van Verstijlen wijst er in 5-8 op dat de scheidslijn tussen gebruik op grond van (gedoog)toestemming van de eigenaar en daden van bezit waartegen de eigenaar niet optreedt, een vage is. Dat komt in onze zaak tot uiting en is (feitelijk) ten gunste van (gedoog)toestemming beslist door het hof.
subonderdeel cgaat naar ik meen gelet op het toetsingskader niet op. Zo het hof hier al niet gewoon oordeelt dat sprake is van bruikleen – weliswaar in combinatie met niet teruggeven, maar waardoor niettemin uit dien hoofde sprake is van houderschap van [eiser] dat niet is omgezet in bezit – is kennelijk gelet op de stellingen van [verweerders] door het hof geoordeeld dat sprake is van (gedoog)toestemming door de zus het perceel voortgezet te laten gebruiken door haar broer. Ook [eiser] erkent bij s.t. onder 2.5 op zichzelf dat onder meer in zo’n geval van “(gedoog)toestemming” sprake is van een (al dan niet vermeende) rechtsverhouding tot de ander (en dus van houderschap) – zij het dat [eiser], op de proppen komt met de constructie dat hiervan in onze zaak geen sprake is, omdat hij zou gebruiken zonder recht of titel en er dus sprake is van een onrechtmatige toestand in plaats van houderschap. Ik denk dat het hof dit als houderschap – althans niet als bezit van de broer – kon kwalificeren zonder schending van rechtsregels. We zagen hiervoor dat van een rechtsverhouding noodzakelijk voor houderschap ook sprake kan zijn bij een niet wettelijk geregelde figuur als (gedoog)toestemming enerzijds gepaard aan erkenning anderzijds. De beslissing van het hof dat het
enkele feitdat wordt geoordeeld dat van een vermeende rechtsverhouding geen sprake is, niet leidt tot bezit, komt al niet onjuist voor. Zeker niet, indachtig het interversieverbod, nu het hof benadrukt dat de broer zich ook naar eigen stellingen aanvankelijk bij herhaling en tot in 1996 heeft opgesteld als houder (pachter, later kandidaat-koper van het perceel, zij het dat de broer aan dat laatste bij appelpleidooi (plta h.b. 14-16) nog de draai probeert te geven dat dit niet als een erkenning van houderschap moet worden gezien, maar als een aanbod tot het aangaan van een vaststellingsovereenkomst).
subonderdeel bklaagt [eiser] dat de passage uit rov. 4.5.3 dat gesteld noch gebleken is dat [eiser] op enig moment aan [verweerders] heeft medegedeeld bezitter te zijn onbegrijpelijk is, nu het ontbreken van een dergelijke mededeling niet tot het oordeel kan leiden dat [eiser] geen bezitter is. Bij s.t. onder 3.3 voert [eiser] aan dat art. 3:108 BW Pro immers bepaalt dat de beoordeling of iemand een goed houdt en of hij dit voor zichzelf of voor een ander doet, naar verkeersopvatting plaatsvindt, met inachtneming van de daarop volgende regels en overigens op grond van uiterlijke feiten.
verderniet is gesteld of gebleken dat hij [verweerders] heeft meegedeeld bezitter te zijn. Die passage staat dus niet op zichzelf, omdat al eerder is geoordeeld dat geen steekhoudende feiten zijn verschaft die op bezit in plaats van houderschap wijzen, zodat het hof niet oordeelt dat bij gebreke van een mededeling aan de eigenaar “ik ben bezitter”, geen sprake kan zijn van bezit.
Bewijsaanbod