Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het derde middel
5.Beslissing
13 juni 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor het bedrijfsmatig telen van hennep in panden te Bierum en Bellingwolde. Verdachte stelde dat zijn handelen niet materieel wederrechtelijk was omdat de hennepteelt uitsluitend plaatsvond volgens een verantwoord, niet op winst gericht productieproces ten behoeve van gedoogde coffeeshops, waarbij belasting werd betaald en geen overlast werd veroorzaakt.
De verdediging voerde aan dat het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid een strafuitsluitingsgrond is die toegepast moet worden omdat het huidige beleid van het gedogen van verkoop maar niet van teelt hypocriet is. Het hof verwierp dit verweer en oordeelde dat het aan de wetgever is om te bepalen welke gedragingen strafbaar zijn en dat het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid slechts in zeer bijzondere gevallen kan worden aangenomen. Er was geen sprake van een breed maatschappelijk gedragen consensus over het gedogen van hennepteelt.
De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat het telen van hennep strafbaar blijft ondanks het gedoogbeleid voor verkoop in coffeeshops. De maatschappelijke discussie over gedogen van teelt leidt niet tot het ontbreken van wederrechtelijkheid. Wel erkende de Hoge Raad dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden, maar dit had geen gevolgen voor de uitspraak.
Het beroep in cassatie werd verworpen en de veroordeling van verdachte bleef in stand.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling voor het bedrijfsmatig telen van hennep blijft in stand.