Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het hof het door de verdediging in hoger beroep gedane beroep op het ontbreken van de materiële wederrechtelijkheid ten onrechte, althans op ontoereikende gronden heeft verworpen.
tweede middelbehelst de klacht dat het oordeel van het hof dat niet kan worden volstaan met een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf of maatregel als bedoeld in art. 9a Sr blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, althans dat het hof zijn oordeel heeft gebaseerd op gronden die dat oordeel niet kunnen dragen.
derde middelbevat de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden.