In deze zaak stond de vraag centraal of het telen van hennep ten behoeve van gedoogde coffeeshops strafbaar blijft ondanks het feit dat dit onder bepaalde voorwaarden maatschappelijk wordt gedoogd. De verdachte had bekend vijfmaal hennep te hebben geteeld en voerde in hoger beroep aan dat de materiële wederrechtelijkheid ontbrak omdat de teelt plaatsvond volgens een verantwoord, niet op winst gericht productieproces, met belastingafdracht en zonder overlast.
Het hof verwierp dit verweer met de motivering dat het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid slechts in zeer uitzonderlijke gevallen kan slagen en dat er geen sprake was van een breed maatschappelijk gedragen consensus over de voorwaarden waaronder hennepteelt gedoogd zou kunnen worden. Ook het feit dat het gedoogbeleid voor coffeeshops bestaat, maar niet voor de teelt, blijft een rechtspolitieke afweging die aan de wetgever is voorbehouden.
Verder oordeelde het hof dat een schuldigverklaring zonder strafoplegging niet passend was, omdat de verdachte zonder overleg met justitiële autoriteiten herhaaldelijk in strijd met de wet handelde. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en wees het cassatieberoep af, waarbij ook werd vastgesteld dat de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie niet tot strafvermindering leidt gezien de voorwaardelijke straf.
De zaak illustreert de terughoudendheid van de rechter bij het erkennen van ongeschreven strafuitsluitingsgronden zoals het ontbreken van materiële wederrechtelijkheid en benadrukt de rol van de wetgever in het reguleren van hennepteelt en het gedoogbeleid.