ECLI:NL:HR:2017:1089

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juni 2017
Publicatiedatum
13 juni 2017
Zaaknummer
16/05643
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 142.2 SrArt. 6 EVRMArt. 81 RO
Verwijzingen
7 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt nietigheid dagvaarding niet in cassatie te beoordelen bij onvoldoende feitelijke omschrijving

In deze zaak stond de vraag centraal of de dagvaarding nietig verklaard kon worden wegens een onvoldoende feitelijke omschrijving van het tenlastegelegde gebruik van het alarmnummer 112 zonder noodzaak. De verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk en onnodig gebruik van het alarmnummer 112 op 3 juni 2012 te Maarheeze.

De verdachte stelde in cassatie dat de dagvaarding nietig was omdat de feitelijke omschrijving van de tenlastegelegde gedraging onvoldoende zou zijn. De Hoge Raad oordeelde dat een dergelijk verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden aangevoerd, omdat dit samenhangt met feitelijke waarderingen over de duidelijkheid van de tenlastelegging voor de verdachte, waarvoor in cassatie geen plaats is.

Daarnaast klaagde de verdachte over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De Hoge Raad erkende de overschrijding van meer dan twee jaar, maar achtte dit gelet op de aard en duur van de opgelegde straf niet aanleiding om rechtsgevolgen te verbinden.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee het arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 december 2014.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de veroordeling wegens onnodig gebruik van alarmnummer 112 blijft in stand.

Uitspraak

13 juni 2017
Strafkamer
nr. S 16/05643
SG/AGE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 24 december 2014, nummer 20/001305-14, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969.

1.Geding in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Spijkenisse, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden arrest maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde straf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1.
Het middel klaagt onder meer dat het Hof heeft verzuimd de dagvaarding in de zaak met parketnummer 01/190815-12 nietig te verklaren, nu de feitelijke omschrijving van de tenlastegelegde gedraging onvoldoende is.
2.2.
Aan de verdachte is in de zaak met voormeld parketnummer tenlastegelegd dat:
"hij op of omstreeks 3 juni 2012 te Maarheeze, gemeente Cranendonck opzettelijk, zonder dat daartoe de noodzaak aanwezig was, gebruik heeft gemaakt van een alarmnummer voor publieke diensten, namelijk van het nummer 112."
2.3.
De klacht kan niet tot cassatie leiden omdat een dergelijk verweer niet voor het eerst in cassatie kan worden gevoerd. De beoordeling van het verweer dat de dagvaarding nietig is op grond van een onvoldoende feitelijke omschrijving van de tenlastegelegde gedraging, hangt immers samen met waarderingen van feitelijke aard - onder meer wat betreft de vraag of en in hoeverre bij de verdachte onduidelijkheid heeft bestaan over hetgeen hem wordt verweten - waarvoor in cassatie geen plaats is. (Vgl. HR 29 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI1171, NJ 2009/541.)
2.4.
Ook voor het overige kan het middel niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81, eerste lid, RO, geen nadere motivering nu het middel in zoverre niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

3.Beoordeling van het tweede middel

3.1.
Het middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden omdat de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
3.2.
Het middel is gegrond. Voorts doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Gelet op de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van twaalf weken, waarvan tien weken voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, is er geen aanleiding om aan het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden enig rechtsgevolg te verbinden en zal de Hoge Raad met dat oordeel volstaan.

4.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.J.A. van Dorst als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend en E.F. Faase, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 juni 2017.