Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste tot en met het zevende middel
3.Beoordeling van het achtste middel
4.Slotsom
5.Beslissing
13 juni 2017.
Hoge Raad
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van verdachte tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin hij werd veroordeeld voor medeplegen van een gewelddadige roofoverval en het opzettelijk bezit van een grote hoeveelheid hasj en hennep.
De advocaat-generaal concludeerde tot vernietiging van het arrest wat betreft de strafmaat, met vermindering van de gevangenisstraf, en verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad oordeelde dat de middelen van cassatie niet tot vernietiging konden leiden, behalve het middel dat klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.
De Hoge Raad stelde vast dat de stukken te laat door het hof waren ingezonden, hetgeen een schending van art. 6 EVRM Pro opleverde. Dit leidde tot vermindering van de gevangenisstraf van veertig naar achtendertig maanden. Het beroep werd voor het overige verworpen en het arrest werd in die zin vernietigd.
Uitkomst: De gevangenisstraf werd verminderd van veertig naar achtendertig maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.