Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Aan de beoordeling van het middel voorafgaande beschouwing
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
20 juni 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of sprake was van eendaadse samenloop of meerdaadse samenloop bij bewezenverklaarde feiten van hennepteelt en deelname aan een criminele organisatie gericht op het plegen van Opiumwetdelicten.
De verdachte werd door het hof veroordeeld voor medeplegen van het telen van hennep en deelname aan een criminele organisatie. Het hof kwalificeerde deze feiten als meerdaadse samenloop en paste artikel 57 Sr Pro toe, waarbij het een gevangenisstraf van 24 maanden oplegde.
De Hoge Raad bevestigde dat het hof niet onjuist heeft geoordeeld door meerdaadse samenloop toe te passen in plaats van eendaadse samenloop, mede vanwege de uiteenlopende strekking van de betrokken strafbepalingen (artikel 3, onder B, en artikel 11b Opiumwet). De Hoge Raad benadrukte dat de regels omtrent samenloop en voortgezette handeling een ruimer toepassingsbereik hebben dan eerder werd aangenomen en dat het toetsingskader voor eendaadse samenloop niet gelijk is aan dat voor het ne bis in idem-beginsel.
Het arrest bevat een uitgebreide algemene beschouwing over de betekenis en toepassing van eendaadse samenloop en voortgezette handeling, waarbij ook recente wetswijzigingen en beleidsmatige overwegingen aan bod komen. Het beroep van de verdachte werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van meerdaadse samenloop met een gevangenisstraf van 24 maanden.