Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Aan de beoordeling van het tweede middel voorafgaande beschouwing
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van de middelen voor het overige
5.Beslissing
20 juni 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of sprake was van eendaadse samenloop of voortgezette handeling bij meerdere feiten van oplichting en diefstal met valse sleutels gepleegd door verdachte in de periode augustus tot december 2014. De Hoge Raad gaf een uitgebreide beschouwing over de begrippen eendaadse samenloop en voortgezette handeling, waarbij werd benadrukt dat het toetsingskader ruimer is dan eerder werd aangenomen en dat een enigszins uiteenlopende strekking van strafbepalingen niet per definitie een belemmering vormt voor toepassing van deze regelingen.
De feiten betroffen onder meer het gebruik van valse bankpassen en pincodes om geldbedragen en goederen te verkrijgen, waarbij meerdere slachtoffers en verschillende tijdstippen een rol speelden. Het hof kwalificeerde de bewezenverklaarde feiten als meerdaadse samenloop en paste art. 57 Sr Pro toe, wat de Hoge Raad niet onbegrijpelijk of onjuist achtte. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van verdachte en bevestigde dat het hof terecht geen eendaadse samenloop of voortgezette handeling had aangenomen.
De uitspraak belichtte ook de verhouding tussen art. 55 Sr Pro (eendaadse samenloop), art. 56 Sr Pro (voortgezette handeling) en art. 57 Sr Pro (meerdaadse samenloop), en benadrukte het belang van het voorkomen van dubbele bestraffing zonder de feitenrechter te beperken in zijn kwalificatievrijheid. De Hoge Raad onderstreepte dat de samenloopregels een wezenlijke functie vervullen bij het voorkomen van onevenredige aansprakelijkheid en dat het toepassingsbereik van eendaadse samenloop en voortgezette handeling ruimer is dan uit eerdere rechtspraak bleek.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt dat het hof terecht meerdaadse samenloop toepaste en verwerpt het cassatieberoep.