Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
20 juni 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor doodslag en het wegmaken van een lijk. In cassatie werd het beroep van de verdachte behandeld door de Hoge Raad. De advocaat-generaal concludeerde tot vermindering van de straf en verwerping van het beroep voor het overige.
De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel van de verdachte niet tot cassatie kon leiden, omdat het geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatte. Het tweede middel klaagde over overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, omdat stukken te laat door het hof waren ingezonden.
De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden, mede doordat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep terwijl de verdachte in voorlopige hechtenis verbleef. Dit leidde tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negen jaar naar acht jaar en zes maanden.
De rest van het beroep werd verworpen en het arrest van het hof werd bevestigd, behoudens de strafduur. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad op 20 juni 2017.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd van negen jaar naar acht jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.