Uitspraak
wonende te [woonplaats],
zetelende te Venlo,
1.Het geding in feitelijke instanties
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van het middel
4.Beslissing
23 juni 2017.
Hoge Raad
In deze zaak stond de vraag centraal of de gemeente Venlo aansprakelijk is voor het verlies van een woonwagen van eiser na een ontruiming en afvoer. Eiser had in eerdere instanties een procedure gevoerd tegen de gemeente, waarbij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 1 maart 2016 een arrest heeft gewezen dat aan dit arrest is gehecht.
Eiser stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof, maar de Hoge Raad heeft het beroep verworpen. De klachten van eiser konden niet tot cassatie leiden en behoefden geen nadere motivering omdat zij niet relevant waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
De Hoge Raad veroordeelde eiser tot betaling van de kosten van het cassatiegeding, waaronder verschotten en salaris advocaat aan de zijde van de gemeente. Het arrest werd uitgesproken op 23 juni 2017 door raadsheren van de Hoge Raad.
Deze uitspraak bevestigt de eerdere beslissingen en benadrukt de terughoudendheid van de Hoge Raad bij het aannemen van cassatiegronden die geen wezenlijke rechtsvragen oproepen.
Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.