ECLI:NL:HR:2017:1147

Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2017
Publicatiedatum
22 juni 2017
Zaaknummer
16/02965
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 RO
Verwijzingen
4 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid gemeente voor verlies woonwagen na ontruiming en afvoer

In deze zaak stond de vraag centraal of de gemeente Venlo aansprakelijk is voor het verlies van een woonwagen van eiser na een ontruiming en afvoer. Eiser had in eerdere instanties een procedure gevoerd tegen de gemeente, waarbij het gerechtshof ’s-Hertogenbosch op 1 maart 2016 een arrest heeft gewezen dat aan dit arrest is gehecht.

Eiser stelde beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof, maar de Hoge Raad heeft het beroep verworpen. De klachten van eiser konden niet tot cassatie leiden en behoefden geen nadere motivering omdat zij niet relevant waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.

De Hoge Raad veroordeelde eiser tot betaling van de kosten van het cassatiegeding, waaronder verschotten en salaris advocaat aan de zijde van de gemeente. Het arrest werd uitgesproken op 23 juni 2017 door raadsheren van de Hoge Raad.

Deze uitspraak bevestigt de eerdere beslissingen en benadrukt de terughoudendheid van de Hoge Raad bij het aannemen van cassatiegronden die geen wezenlijke rechtsvragen oproepen.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

23 juni 2017
Eerste Kamer
16/02965
LZ/EE
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie,
advocaat: mr. C.S.G. Janssens,
t e g e n
de GEMEENTE VENLO,
zetelende te Venlo,
VERWEERSTER in cassatie,
advocaat: mr. J.P. Heering.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als [eiser] en de Gemeente.

1.Het geding in feitelijke instanties

Voor het verloop van het geding in feitelijke instanties verwijst de Hoge Raad naar de navolgende stukken:
a. het vonnis in het incident in de zaak 363077/CV EXPL 13-255 van de kantonrechter in de rechtbank Limburg van 17 juli 2013;
b. de vonnissen in de zaak C/04/124376/HA ZA 13-219 van de rechtbank Limburg van 27 november 2013 en 13 augustus 2014;
c. het arrest in de zaak HD 200.160.344/01 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 1 maart 2016.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten, voor [eiser] mede door mr. P.E.A. Chao.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Wuisman strekt tot verwerping.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 26 april 2017 op die conclusie gereageerd.

3.Beoordeling van het middel

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van de Gemeente begroot op € 2.678,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, M.V. Polak en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
23 juni 2017.