Conclusie
2.Bespreking van het cassatiemiddel
subonderdeel 1.1wordt, aanhakend bij rov. 4.6
( [1] ), de vraag opgeworpen op welke rechtsgrond het hof de vorderingen van [eiser] had moeten beoordelen. Betoogd wordt dat het hof ten onrechte, nl. in strijd met artikel 25 Rv Pro, geen toepassing heeft gegeven aan de regeling inzake de last onder bestuursdwang in afdeling 5.3.1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het handelen van de gemeente dient nl. opgevat te worden als het uitvoering geven aan een last onder bestuursdwang. Die bepalingen in afdeling 5.3.1 Awb vormen, zo wordt gesteld, dwingend recht en het van die afdeling deel uitmakende artikel 5.29 schrijft met betrekking tot door een bestuursorgaan meegevoerde en opgeslagen goederen het betrachten van een zorg voor die [eiser] een grotere rechtsbescherming biedt.
( [2] )Ook indien artikel 5.29 Awb dwingend recht zou bevatten, dan kan niet al daarom worden gezegd dat het in dat artikel gaat om recht van openbare orde. Daarvan is pas sprake bij recht waarbij zo fundamentele belangen spelen dat de toepassing en handhaving ervan niet kan worden overgelaten aan de personen op wie het recht van toepassing is. Van die aard is de regeling in artikel 5.29 Awb niet. Het hof valt dan ook niet het verwijt te maken dat het niet ambtshalve ertoe is overgegaan dat artikel als grondslag van de vorderingen van [eiser] aan te houden.
subonderdeel 2.1komt hierop neer dat het hof bij de beoordeling van de door de gemeente te betrachten en betrachte zorg als zaakwaarneemster blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de omvang van de zorgplicht van de gemeente. Het hof heeft miskend dat vanwege de bijzondere positie en de verder gaande (wettelijke) bevoegdheden van de gemeente op haar een zorgplicht rust die groter is dan die van een ‘burger’-zaakwaarnemer en afgestemd moet worden op de uit afdeling 5.3.1 Awb voortvloeiende zorgplicht. Ook deze poging om het hof, maar nu langs indirecte weg, te verwijten dat het ten onrechte de afdeling 5.3.1 AWB niet als rechtsgrond van de vorderingen van [eiser] heeft aangehouden, strandt op wat hiervoor in 2.3 is opgemerkt over de procesrechtelijke beletselen voor het hof om afdeling 5.3.1 Awb als grondslag voor de vorderingen van [eiser] in aanmerking te nemen. Hetzelfde lot treft de klachten in subonderdeel 2.2, sub d en f. Bij die klachten wordt ook er van uitgegaan, dat het hof aan afdeling 5.3.1 Awb toepassing had moeten geven.
subonderdeel 2.2wordt er over geklaagd dat het hof ten onrechte de in dat subonderdeel onder a t/m f vermelde omstandigheden niet in zijn beoordeling heeft betrokken, althans onvoldoende heeft doen blijken die omstandigheden in aanmerking te hebben genomen, zodat zijn arrest niet voldoende is gemotiveerd.
( [3] ). Met de sub e genoemde omstandigheden wordt, zo schijnt het toe, vooral beoogd de aandacht te vestigen op de omstandigheid dat [eiser] uiteindelijk is vrijgesproken van wat hem eerder strafrechtelijk ten laste was gelegd in verband met de vondst van harddrugs in de woonwagen. Ook in rov. 4.9 maakt het hof van die omstandigheid geen melding. Dat doet het oordeel dat de gemeente voldoende zorg heeft betracht, niet onjuist of onbegrijpelijk zijn. De vrijspraak vond plaats op 13 februari 2013, derhalve geruime tijd na het besluit van de gemeente tot sluiting voor één jaar van de woonwagen (7 januari 2011), de strafrechtelijke veroordeling van de rechtbank (24 februari 2011), het door de rechtbank afgewezen beroep tegen het besluit tot sluiting (27 juli 2011) en de door Woonwenz geïnitieerde en ook in een appelprocedure geaccordeerde ontruiming (18 oktober 2011). Deze gang van zaken rechtvaardigt om ervan uit te gaan dat, toen de gemeente op 18 oktober 2011 medewerking aan de ontruiming verleende door ervoor te zorgen dat de woonwagen voor opslag elders zou kunnen worden vervoerd, daarvan niet had moeten afzien wegens een mogelijke strafrechtelijke vrijspraak ten gunste van [eiser] . Dit is overigens door [eiser] in de vorige instanties ook niet gesteld.
subonderdeel 2.3wordt erover geklaagd dat het hof met zijn oordeel dat het verzekeren van de goederen, die de gemeente op 18 oktober 2011 naar elders heeft laten vervoeren, een aangelegenheid was van [eiser] , een onjuist dan wel onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven, aangezien die omstandigheid niet relevant is voor het oordeel omtrent de zorgplicht van de gemeente. Een eventuele verzekering van [eiser] doet, zo wordt betoogd, niet af aan de door de gemeente ten aanzien van de meegevoerde en opgeslagen woonwagen zorg heeft te betrachten. De klacht mist feitelijke grondslag. Het hof heeft bij de beoordeling of de gemeente voldoende haar zorglicht met betrekking tot de woonwagen is nagekomen, niet slechts de vraag onder ogen gezien op wie de last rustte om het verzekeren van de woonwagen te regelen. Het hof heeft ook andere aspecten in zijn beoordeling betrokken zoals het aspect of de gemeente wel voor een voldoende veilige opslagplaats heeft gezorgd. Het hof heeft derhalve niet miskend dat de gemeente, ook al was naar zijn oordeel het verzekeren van de woonwagen een aangelegenheid die [eiser] aanging, toch nog op andere gronden wegens onvoldoende zorg voor de woonwagen aansprakelijk voor de schade van [eiser] zou kunnen zijn.
subonderdelen 2.4 en 2.5.1wordt opgekomen tegen het oordeel van het hof in rov. 4.9 dat het te ver gaat om van de gemeente en het bedrijf, waaraan de woonwagen in opslag was gegeven, te verlangen dat zij er voor zorg dragen dat een actie als een kennelijk juist op de woonwagen gericht brandstichting wordt voorkomen.
subonderdeel 2.5.2stoelt, is in het arrest geen steun te vinden. De klacht treft bijgevolg wegens gemis aan feitelijke grondslag geen doel.
subonderdeel 3.1bestreden met een klacht, waarin ook weer aangehaakt wordt bij de Awb bestuursrecht. Om de hiervoor in 2.6 vermelde reden slaagt die klacht niet. Bovendien houdt zij een ongeoorloofd novum in.
“Door [eiser] is in algemene zin te kennen gegeven dat de gemeente de kosten had moeten beperken maar heeft nagelaten dit verweer te voorzien van enige onderbouwing, bijvoorbeeld in de vorm van een concrete berekening of begroting van kosten waaruit kan worden afgeleid dat de gemeente gekozen heeft voor een duurdere aanpak dan nodig was geweest.”Het hof voegt daaraan nog toe dat [eiser] de juistheid van voldoende gespecificeerde facturen, die de gemeente na het voeren door [eiser] van genoemd verweer in het geding heeft gebracht, niet heeft betwist
subonderdeel 3.2als klacht aangevoerd dat ’s hofs oordeel niet in stand kan blijven, voor zover uit veiligheidsredenen is besloten om de woonwagen naar Ermelo over te brengen. Deze reden betreft immers een omstandigheid die niet aan [eiser] is toe te rekenen, want door de gemeente is niet gesteld dat de bedreigingen, die voorafgaande aan de ontruiming zijn geuit, van [eiser] afkomstig waren of dat [eiser] in die bedreigingen de hand heeft gehad. Deze klacht faalt. Ook indien [eiser] zelf niet de hand heeft gehad in de bedreigingen, kan de goede zorg voor de woonwagen de gemeente hebben doen besluiten om de woonwagen in verband met bedreigingen van anderen om veiligheidsredenen naar Ermelo te doen brengen. Er zijn door [eiser] geen feiten en omstandigheden aangevoerd, waaruit duidelijk blijkt dat daarmee verband houdende veiligheidsredenen niet tot die stap noopten. Bij die stand van zaken heeft het hof kunnen oordelen dat het op verzaking van de schadebeperkingsplicht stoelend verweer van [eiser] in dat opzicht niet onderbouwd is.