Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Slotsom
5.Beslissing
27 juni 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een verdachte die via babbeltrucs bankpassen en pincodes van bejaarde en kwetsbare personen ontvreemdde en daarmee geld opnam of betalingen deed. Het hof had de verdachte veroordeeld en de Hoge Raad bevestigde het oordeel over medeplegen, waarbij het arrest zonder verwijzing naar functioneel daderschap moet worden gelezen.
De verdediging stelde cassatieberoep in tegen het arrest van het Gerechtshof Amsterdam. De Advocaat-Generaal adviseerde tot vermindering van de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De Hoge Raad oordeelde dat de stukken te laat waren ingezonden en dat meer dan zestien maanden waren verstreken sinds het cassatieberoep, wat een schending van art. 6 EVRM Pro inhoudt.
Hierdoor werd de opgelegde gevangenisstraf van 36 maanden verminderd tot 34 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar. Het beroep werd voor het overige verworpen. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren op 27 juni 2017.
Uitkomst: Gevangenisstraf verminderd tot 34 maanden wegens overschrijding redelijke termijn in cassatie.