Uitspraak
[X]te
[Z](hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het
Gerechtshof 's-Hertogenboschvan 20 januari 2017, nr. 15/01049, betreffende de aan belanghebbende ter zake van het jaar 2007 opgelegde boetebeschikking.
Hoge Raad
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen een uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch over een boetebeschikking opgelegd voor het jaar 2007. Deze zaak betrof een vervolg op een eerdere cassatieprocedure waarbij de Hoge Raad het vonnis van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vernietigde en de zaak verwees naar het Hof in 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling.
In de tweede cassatieprocedure stelde belanghebbende twee middelen voor, waarop de Staatssecretaris van Financiën een verweerschrift indiende. De Hoge Raad oordeelde dat deze middelen niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was, omdat de middelen geen rechtsvragen opriepen die van belang waren voor de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
Daarmee verklaarde de Hoge Raad het beroep in cassatie ongegrond en bevestigde de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch. De uitspraak werd gedaan door de vice-president en twee raadsheren, in aanwezigheid van de waarnemend griffier, en in het openbaar uitgesproken op 30 juni 2017.
Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard.