Uitspraak
wonende te [woonplaats] ,
gevestigd te Almere,
1.Het geding in feitelijke instantie
2.Het geding in cassatie
3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
4.Beslissing
30 juni 2017.
Hoge Raad
Verzoekster heeft tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Het verzoekschrift, ingediend op 24 maart 2017, voldeed echter niet aan de vereisten van artikel 426a lid 1 Rv omdat het niet was ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad.
De Hoge Raad wijst erop dat dit verzuim hersteld kan worden door binnen twee weken na ontvangst hetzelfde verzoekschrift opnieuw in te dienen, maar dan wel ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Verzoekster heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.
Daarom verklaart de Hoge Raad verzoekster niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep en wijst het beroep af. De beschikking is gegeven door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Du Perron en Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door De Groot.
Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep wegens het ontbreken van de vereiste advocaatondertekening.