ECLI:NL:HR:2017:1204

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2017
Publicatiedatum
30 juni 2017
Zaaknummer
17/01716
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 426a lid 1 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens ontbreken advocaatondertekening

Verzoekster heeft tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland beroep in cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Het verzoekschrift, ingediend op 24 maart 2017, voldeed echter niet aan de vereisten van artikel 426a lid 1 Rv omdat het niet was ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad wijst erop dat dit verzuim hersteld kan worden door binnen twee weken na ontvangst hetzelfde verzoekschrift opnieuw in te dienen, maar dan wel ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Verzoekster heeft van deze mogelijkheid geen gebruik gemaakt.

Daarom verklaart de Hoge Raad verzoekster niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep en wijst het beroep af. De beschikking is gegeven door de raadsheren Van Buchem-Spapens, Du Perron en Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door De Groot.

Uitkomst: Verzoekster wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep wegens het ontbreken van de vereiste advocaatondertekening.

Uitspraak

30 juni 2017
Eerste Kamer
17/01716
LZ/IF
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
in de zaak van:
[verzoekster] ,
wonende te [woonplaats] ,
VERZOEKSTER tot cassatie,
t e g e n
GGZ CENTRAAL, locatie de Meregaard,
gevestigd te Almere,
VERWEERDER in cassatie,
niet verschenen.
Partijen zullen hierna ook worden aangeduid als verzoekster en GGZ centraal.

1.Het geding in feitelijke instantie

Voor het verloop van het geding in feitelijke instantie verwijst de Hoge Raad naar de beschikking in de zaak C/16/429058/FL RK 16-2518 van de rechtbank Midden-Nederland van 16 januari 2017.
De beschikking van de rechtbank is aan deze beschikking gehecht.

2.Het geding in cassatie

Tegen de beschikking van de rechtbank heeft verzoekster beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De conclusie van de Advocaat-Generaal E.M. Wesseling-van Gent strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekster in haar cassatieberoep.

3.Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Het op 24 maart 2017 ingekomen verzoekschrift voldoet niet aan de eisen van art. 426a lid 1 Rv, omdat het niet is ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Dit verzuim kan worden hersteld door hetzelfde verzoekschrift binnen twee weken na binnenkomst ter griffie van de Hoge Raad opnieuw in te dienen, maar nu ondertekend door een advocaat bij de Hoge Raad. Van deze mogelijkheid is geen gebruik gemaakt. Dit brengt mee dat verzoekster in haar beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4.Beslissing

De Hoge Raad verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep.
Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, als voorzitter, C.E. du Perron en M.J. Kroeze, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer G. de Groot op
30 juni 2017.