Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
4 juli 2017.
Hoge Raad
In deze strafzaak stond de vraag centraal of het afknippen van kunstbloemen van een graf kan worden beschouwd als grafschennis zoals bedoeld in artikel 149 van Pro het Wetboek van Strafrecht. De verdachte werd ervan verdacht op 30 juni 2014 in Weert een graf te hebben geschonden door twee kunstbloemen van hun steel te trekken.
Het hof had geoordeeld dat onder het begrip 'graf' ook de bij een graf behorende versieringen, zoals bloemen en planten, vallen en dat het verwijderen daarvan de piëteit jegens de overledene kan schenden. De verdachte had verklaard de bloemen te hebben meegenomen om de kosten te achterhalen, maar het hof achtte deze verklaring ongeloofwaardig en concludeerde dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde de nagedachtenis of het piëteitsgevoel van de nabestaanden te krenken.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en oordeelde dat het hof geen onjuiste rechtsopvatting had en dat de bewezenverklaring voldoende was. De opzet van de verdachte werd in voorwaardelijke zin aangenomen. Het beroep in cassatie werd verworpen, waarmee de veroordeling voor grafschennis werd bekrachtigd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling voor opzettelijke grafschennis door het verwijderen van kunstbloemen van een graf.