Conclusie
middelklaagt dat het hof zijn bewijsbeslissing met betrekking tot het voorwaardelijk opzet onvoldoende met redenen heeft omkleed.
Bijzondere overwegingen omtrent het bewijs
Stb. 65), dat zijn oorsprong vond in art. 360 van Pro de toenmalige Code Pénal. [2] Overigens kende vóór de invoering van de Begrafeniswet van 1869 het Ontwerp van een wetboek op het strafregt voor het Koningrijk der Nederlanden van 23 april 1827 een art. 155 dat Pro als volgt luidde: “Op gelijke wijze zullen worden gestraft, die zich aan het schenden van begraafplaatsen of grafsteden, of aan het wegnemen of vervoeren van lijken uit dezelve, schuldig maken”. [3] Het valt op dat in dit ontwerp al wordt gesproken van “schenden” (violation), een term die tot op de dag van vandaag is gehandhaafd. Dat geldt niet voor “begraafplaatsen” en “grafsteden”, hoewel de aanduiding begraafplaats nog wel voorkwam in art. 43 sub Pro 5° van de Begrafeniswet van 1869. In deze bijzondere wet was (in bedoeld sub 5°) strafbaar gesteld: “Het schenden van graven en begraafplaatsen.” Had eertijds onder vigeur van het Franse recht nog een juridisch dispuut plaatsgevonden over de vraag of de strafbepaling van art. 160 Code Pro Pénal ook betrekking had op de lijkkist alvorens deze in het graf is neergelaten [4] en op honende, lasterende of beledigende woorden tegen de overledene geuit, in het proefschrift van H.C.M. van Westerloo uit 1871, getiteld “
De strafbepalingen in de Nederlandsche Begrafeniswet, Amsterdam” valt te lezen dat toen inmiddels algemene erkenning had gevonden dat: “Alleen door daden kan men plegen eene schending van graven of begraafplaatsen” (p. 69). In de tekst van art. 163 van Pro de “
Ontwerpen van een wetboek van strafregt en daartoe behoorende wetten met toelichting” van de Staatscommissie- De Wal was de begraafplaats verdwenen: "Hij die graven schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van hoogstens negen maanden”. In dit ontwerp hadden de strafbare feiten uit de Begrafeniswet van 1869 hun (nieuwe) plaats gevonden. Voorts blijkt uit de onderlinge gedachtewisseling dat de leden van de Staatscommissie-De Wal de schending van graven voornamelijk als een delict tegen de piëteit aanmerkten. [5] In de toelichting op het ontwerp-art. 163 (art. 161 ORO Pro) rept de Staatcommissie-De Wal voorts van de kwalificatie grafschennis en laat zij weten dat niet meer van “begraafplaatsen” gewaagd wordt omdat: “Zoo scherp begrensd en sluitend het begrip van grafschennis is, even onbepaald en onbeteekend is het schenden ener begraafplaats, eig. eene elliptische uitdrukking voor het schenden of beschadigen van voorwerpen die zich op eene begraafplaats bevinden. De algemeene bepaling tegen vernieling of beschadiging van goederen (art. 385) [6] , met verzwaring voorzoover eenig gedenkteeken mogt geschonden zijn (art. 386 n°. 3), is daarvoor genoegzaam”. [7] Deze opvatting werd door minister Modderman van Justitie in de memorie van toelichting bij art. 161 ORO Pro – uiteindelijk art. 149 Sr Pro – overgenomen. Niettemin ondervond de door de Staatscommissie-De Wal ontworpen redactie een aantal wijzigingen. Zo werd de zaakvernieling met betrekking tot “gedenkteekenen op (…) begraafplaatsen opgerigt” (art. 386 n° 3; art. 380 n°. 3 ORO) overgebracht naar art. 149 Sr Pro en werd graven enkelvoudig graf. En voorts werd op aanraden van de Commissie van Rapporteurs het woord opzettelijk bijgevoegd. Dat was blijkens de memorie van toelichting nodig, want: “Een graf kan ook bij ongeluk geschonden worden, bijv. bij het delven van een ander graf in de onmiddellijke nabijheid”. [8] Wat wel bleef staan – van begin tot eind – is, als gezegd, “schenden” of een vervoeging daarvan. Ik kom daarop aanstonds terug.
NJ2013/29: “Pas door het sluiten van het graf (‘zand erover’) wordt een overledene aan de aarde en daarmee aan het verleden toevertrouwd”. [10] De Hoge Raad heeft in voormeld arrest echter een zekere uitbreiding gegeven aan die omschrijving van het begrip graf door het volgende te overwegen:
NJ2013/29 merkt Keijzer op dat het hof
in die zaakaan de term schendt in art. 149 Sr Pro goed beschouwd een onjuiste betekenis had gegeven, door op de enkele grond van schending van de integriteit van het graf reeds grafschennis aan te nemen, nu het gedrag van de verdachte daar, zij het onbehouwen, juist van piëteit jegens de overledene getuigde. Die verdachte had kennelijk dronken in het nog open graf van zijn partner gestaan, kennelijk zelf het deksel van de kist opengerukt, op het gezicht van zijn partner geaaid, haar vastgehouden en gezegd “V., wordt wakker”. De Hoge Raad toonde zich minder kritisch en zag ’s hofs kwalificatie door de vingers, aldus Keijzer, die daaraan toevoegt dat de Hoge Raad mogelijk tot een ander oordeel was gekomen indien het desbetreffende cassatiemiddel scherper was geformuleerd en duidelijker was toegelicht. [18]