Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van de middelen
3.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
4.Slotsom
5.Beslissing
4 juli 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een rechtspersoon tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden over valsheid in geschrift en het medeplegen van onjuiste belastingaangifte met betrekking tot valse facturen die werden gebruikt om het systeem van heffing van omzetbelasting te misbruiken.
De Hoge Raad beoordeelt verschillende middelen van cassatie, waaronder bewijsklachten over de onjuistheid van facturen en het opzet bij valsheid in geschrift en onjuiste belastingaangifte. Deze middelen kunnen niet leiden tot cassatie en behoeven geen nadere motivering omdat zij geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen.
De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, aangezien meer dan twee jaar zijn verstreken sinds het instellen van het cassatieberoep. Dit leidt tot een vermindering van de opgelegde geldboete van €72.500 naar €70.000.
De Hoge Raad vernietigt het bestreden arrest uitsluitend wat betreft de hoogte van de geldboete en verwerpt het cassatieberoep voor het overige. De uitspraak is gewezen door de vice-president en twee raadsheren en uitgesproken in openbare terechtzitting.
Uitkomst: De geldboete wordt verminderd van €72.500 naar €70.000 wegens overschrijding van de redelijke termijn; het cassatieberoep wordt verder verworpen.