Conclusie
eerste middel, bezien in samenhang met de toelichting, klaagt dat de valsheid in geschrift niet uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid, nu er een discrepantie bestaat tussen de bewijsmiddelen – voor zover inhoudende dat de goederen niet daadwerkelijk aan de verdachte zijn geleverd – en hetgeen door het hof bewezen is verklaard, namelijk dat de op de facturen genoemde leveranciers onjuist zijn en/of de handtekeningen daarop vals zijn, en voorts de door de getuigen afgelegde belastende verklaringen, met name die van [betrokkene 1] en [betrokkene 7], onbetrouwbaar zijn.
tweede middel, dat op het eerste middel doorborduurt en klaagt dat het hof niet heeft gerespondeerd op een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt van de verdediging ter zake, deelt het lot van het eerste middel. Het hof heeft op basis van de gebezigde bewijsmiddelen feitelijk vastgesteld dat de vrachtwagen in kwestie niet is geleverd. Dat er mogelijk ‘bewijsmiddelen’ zijn die anders willen doen vermoeden, maakt dat niet anders. Voor zover het middel inhoudt dat de verdediging ter zake een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ingenomen ten aanzien waarvan het hof in de responsieplicht als bedoeld in art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv zou zijn tekortgeschoten, wordt over het hoofd gezien dat hetgeen de raadsman ten aanzien van dit punt op de terechtzitting van het hof heeft aangevoerd aan de hand van de pleitnota, niet kan gelden als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt.
derde middelklaagt over het bewezenverklaarde opzet bij feit 1, inhoudend valsheid in geschrift (meermalen gepleegd), begaan door een rechtspersoon, waarbij wederom wordt betoogd dat de door de verschillende getuigen afgelegde verklaringen tegenstrijdigheden bevatten en derhalve onbetrouwbaar zijn.
vierde middelhoudt in dat geen sprake is van valse facturen en dat de belastingontduiking is gebaseerd op “louter aannames” dat de facturen vals zijn, waardoor de bewezenverklaringen van de feiten 2 en 3 op losse schroeven komen te staan. Het
vijfde middelklaagt met betrekking tot de feiten 2 en 3 erover dat het hof opzet heeft bewezenverklaard, althans dat het hof het desbetreffend bewijsverweer zonder enige redengevende motivering is gepasseerd.